Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL II Rechterlijke organisatie (art. 58–555/16) › BOEK II - GERECHTELIJKE AMBTEN. › TITEL II - Uitoefening van gerechtelijke ambten. › HOOFDSTUK IV Afwezigheden en verloven van magistraten

Afdeling II Jaarlijks vakantieverlof, recuperatiedagen en feestdagen

331/7–331/11

Art. 331/7

De magistraat heeft recht op een jaarlijks vakantieverlof waarvan de duur naargelang de leeftijd als volgt is bepaald:

-minder dan 45 jaar: 26 werkdagen;

-van 45 tot 49 jaar: 27 werkdagen;

-van 50 tot 54 jaar: 28 werkdagen;

-van 55 tot 59 jaar: 29 werkdagen;

-van 60 tot 61 jaar: 30 werkdagen;

-op 62 jaar: 31 werkdagen;

-op 63 jaar: 32 werkdagen;

-op 64 jaar: 33 werkdagen;

-op 65 jaar: 34 werkdagen;

-vanaf 66 jaar: 35 werkdagen.

De magistraat neemt minstens vijftien dagen van dit jaarlijks vakantieverlof op tijdens de periode van 1 juli tot 31 augustus.

Art. 331/8

§ 1.Het jaarlijks vakantieverlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Het wordt genomen in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.

§ 2.De magistraat kan maximum tien niet opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof overdragen naar het volgend jaar. Deze overdracht geldt voor maximum één jaar.

Indien de magistraat zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen opnemen ten gevolge van een afwezigheid wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op weg van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, dan is de overdracht niet beperkt tot een jaar. Bij de terugkeer van de magistraat wordt het jaarlijks vakantieverlof in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst opgenomen.

Art. 331/9

§ 1.Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijks vakantieverlof.

Het vakantieverlof wordt echter in evenredige mate verminderd wanneer de magistraat in de loop van het jaar wordt benoemd, zijn ambt definitief neerlegt of tijdens het jaar een van de hierna genoemde verloven of afwezigheden heeft gekregen:

1°de afwezigheden waarbij de magistraat in de administratieve stand van non-activiteit is geplaatst;

2°de verminderde prestaties wegens medische redenen;

3°het ouderschapsverlof;

4°het deeltijds uitoefenen van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar;

5°meer dan zes maanden ziekteverlof;

6°de zorgverloven.

De vermindering van het jaarlijks vakantieverlof naar aanleiding van het tweede lid, 5°, kan maximaal zes dagen per jaar bedragen.

Indien het aldus berekende aantal vakantiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond op de onmiddellijke hogere eenheid.

§ 2.Indien de magistraat door de behoeften van de dienst zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft genomen vooraleer hij zijn ambt definitief neerlegt, dan heeft hij recht op een compenserende toelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste wedde die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen, eventueel verminderd overeenkomstig paragraaf 1.

Bij het overlijden van de magistraat wordt de compenserende toelage voor niet opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof uitbetaald aan de erfgenamen.

Voor de toepassing van deze paragraaf is de wedde die in aanmerking dient te worden genomen deze voor volledige prestaties, in voorkomend geval aangevuld met de weddebijslagen, en de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.

§ 3.Het jaarlijks vakantieverlof wordt opgeschort zodra de magistraat een verlof wegens ziekte bekomt.

Art. 331/10

De magistraat is met verlof op de feestdagen die zijn opgesomd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen.

De compensatieverlofdagen voor feestdagen die met een zaterdag of een zondag samenvallen, alsook voor 2 november, 15 november en 26 december waarop de rijksambtenaren met verlof zijn, kunnen door de magistraten genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof.

De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Indien de magistraat echter op een feestdag of een compenserende verlofdag om een andere reden met verlof is, of in non-activiteit is geplaatst, blijft zijn administratieve stand bepaald overeenkomstig de verordeningsbepalingen die op hem van toepassing zijn.

Indien een vrije dag in het kader van deeltijds werken samenvalt met één van de dagen bedoeld in het eerste lid of met de compensatieverlofdagen voor 2 november, 15 november en 26 december, bekomt de magistraat geen vervangende verlofdag.

Art. 331/11

§ 1.De magistraat heeft jaarlijks recht op twaalf forfaitaire recuperatiedagen ter compensatie van alle eventuele overschrijdingen van de arbeidsduur zoals omschreven in artikel 8, § 1, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector.

Deze recuperatiedagen kunnen worden opgenomen onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks verlof. Zij zijn niet overdraagbaar naar het volgende jaar.

§ 2.Het aantal recuperatiedagen wordt echter in evenredige mate verminderd wanneer de magistraat in de loop van het jaar wordt benoemd, zijn ambt definitief neerlegt of tijdens het jaar een van de hierna genoemde verloven of afwezigheden heeft gekregen:

1°de afwezigheden waarbij de magistraat in de administratieve stand van non-activiteit is geplaatst;

2°de verminderde prestaties wegens medische redenen;

3°het ouderschapsverlof;

4°het deeltijds uitoefenen van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar;

5°meer dan een maand ziekteverlof;

6°de zorgverloven.

Indien het aldus berekende aantal recuperatiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond op de onmiddellijke hogere eenheid.