§ 1.Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijks vakantieverlof.
Het vakantieverlof wordt echter in evenredige mate verminderd wanneer de magistraat in de loop van het jaar wordt benoemd, zijn ambt definitief neerlegt of tijdens het jaar een van de hierna genoemde verloven of afwezigheden heeft gekregen:
1°de afwezigheden waarbij de magistraat in de administratieve stand van non-activiteit is geplaatst;
2°de verminderde prestaties wegens medische redenen;
3°het ouderschapsverlof;
4°het deeltijds uitoefenen van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar;
5°meer dan zes maanden ziekteverlof;
6°de zorgverloven.
De vermindering van het jaarlijks vakantieverlof naar aanleiding van het tweede lid, 5°, kan maximaal zes dagen per jaar bedragen.
Indien het aldus berekende aantal vakantiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond op de onmiddellijke hogere eenheid.
§ 2.Indien de magistraat door de behoeften van de dienst zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft genomen vooraleer hij zijn ambt definitief neerlegt, dan heeft hij recht op een compenserende toelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste wedde die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen, eventueel verminderd overeenkomstig paragraaf 1.
Bij het overlijden van de magistraat wordt de compenserende toelage voor niet opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof uitbetaald aan de erfgenamen.
Voor de toepassing van deze paragraaf is de wedde die in aanmerking dient te worden genomen deze voor volledige prestaties, in voorkomend geval aangevuld met de weddebijslagen, en de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.
§ 3.Het jaarlijks vakantieverlof wordt opgeschort zodra de magistraat een verlof wegens ziekte bekomt.