Alle wetboeken › WER

BOEK XVIII - Maatregelen voor crisisbeheer

XVIII.1–XVIII.4

Art. XVIII.1

§ 1.Wanneer uitzonderlijke omstandigheden of gebeurtenissen de goede werking van de economie geheel of gedeeltelijk in gevaar brengen of kunnen brengen, kan de minister het aanbieden en verrichten van diensten, de invoer, de productie, de fabricage, de bereiding, het in bezit houden, de verwerking, het gebruik, de verdeling, de aankoop, de verkoop, de uitstalling, de vertoning, het te koop aanbieden, de levering en het vervoer van producten die hij aanwijst, verbieden, reglementeren of controleren.

Hij kan de uitoefening van deze activiteiten voorbehouden aan personen of bedrijven die hij aanwijst of de inrichtingen sluiten waarvan de activiteit hem overbodig of schadelijk voorkomt.

Hij mag de bevoorrading van elke persoon en onderneming die een bedrijvigheid uitoefenen die op grond van het eerste lid wordt gereglementeerd of gecontroleerd, inkrimpen of schorsen, wanneer zij weigeren de instructies, die hun worden verstrekt, uit te voeren of als zij door hun verzet, hun nalatigheid of om een andere reden de goede werking van de economie volledig of gedeeltelijk belemmeren.

De maatregelen, bedoeld in voorgaande leden, beperken zich tot wat strikt noodzakelijk is voor het oplossen of het vermijden van de economische moeilijkheden, die worden of kunnen worden veroorzaakt door de uitzonderlijke omstandigheden of gebeurtenissen. Ze zijn beperkt in de tijd en mogen niet langer duren dan voornoemde omstandigheden of gebeurtenissen vereisen.

§ 2.Het ministerieel besluit genomen op basis van voorgaande paragraaf, wordt zo spoedig mogelijk bevestigd door een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Indien dit besluit niet wordt bevestigd door de Koning, wordt het geacht nooit uitwerking te hebben gehad.

Art. XVIII.2

§ 1.Wanneer onvoorziene omstandigheden of gebeurtenissen de goede werking van de economie geheel of gedeeltelijk in gevaar brengen of kunnen brengen, kan de minister, uit dringende collectieve noodzaak en bij gebrek aan enig ander redelijk middel binnen een gepaste termijn overgaan of doen overgaan tot opeising tegen betaling van producten, om ze ter beschikking te stellen, hetzij van de Staat, hetzij van de openbare besturen of diensten, hetzij van private personen of inrichtingen.

De minister mag, mits bezoldiging, alle nuttige verplichtingen opleggen voor de tenuitvoerlegging van deze opeisingen.

§ 2.De in paragraaf 1 bedoelde opeising van goederen mag slaan, hetzij op de voorwerpen zelf, hetzij op de inrichting of het materieel waarmee zij worden voortgebracht, verwerkt, vervoerd, te koop gesteld of in bezit gehouden.

§ 3.Op straffe van nietigverklaring wordt het bevel tot opeising schriftelijk geformuleerd en door de minister of zijn afgevaardigde ondertekend.

Het bevel vermeldt de aard, de duur van de opeising, de voorwaarden waaronder de opeising moet worden uitgevoerd en eventueel de hoeveelheid betrokken producten.

Het bevel tot opeising wordt met ontvangstmelding door de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren betekend aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon of houder, in welke hoedanigheid ook, van de opgeëiste goederen.

In geval van noodzaak mag het bevel tot opeising mondeling worden geformuleerd en achteraf door de minister overeenkomstig het eerste lid bevestigd.

§ 4.Het ministerieel besluit waarbij de minister overgaat of doet overgaan tot de opeisingen bedoeld in de voorgaande paragrafen, wordt zo spoedig mogelijk bevestigd door een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Indien dit besluit niet wordt bevestigd door de Koning, wordt het geacht nooit uitwerking te hebben gehad.

§ 5.De in deze titel vermelde opeisingen zijn niet onderworpen aan de wet van 5 maart 1935 betreffende de burgers opgeroepen bij vrijwillige verbintenis of bij opeising, om de werking van de openbare diensten in oorlogstijd te verzekeren, noch aan de op grond van deze wet genomen reglementen.

Art. XVIII.3

De minister mag alle maatregelen bevelen van openbaarmaking betreffende de krachtens artikel XVIII.1 en artikel XVIII.2 opgelegde verplichtingen of betreffende de tenuitvoerlegging van deze verplichtingen.

De in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren kunnen belast worden met de uitvoering van de op grond van deze Titel genomen beslissingen.

Art. XVIII.4

Bij de toepassing van de bepalingen van dit boek, kunnen de producenten en de verdelers niet weigeren naar best vermogen en onder voorwaarden conform de handelsgebruiken aan de vraag van de verdelers of verbruikers naar producten of dienstverstrekkingen te beantwoorden, als die vraag niet abnormaal voorkomt.