Alle wetboeken › WER

Boek XVII - Bijzondere rechtsprocedures

Titel 3 - Rechtsvordering tot schadevergoeding voor inbreuken op het mededingingsrecht

XVII.71–XVII.91

Art. XVII.71

§ 1.Deze titel is van toepassing op de rechtsvordering tot schadevergoedingen voor inbreuken op het mededingingsrecht.

§ 2.Deze titel stelt regels vast die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot schadevergoeding onverminderd het gemene recht. In geval van enig conflict met het gemene recht primeren de regels aangehaald in de bepalingen van deze wet.

Art. XVII.72

Iedere natuurlijke persoon of iedere rechtspersoon die schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, heeft het recht om volledige schadevergoeding te vorderen en te verkrijgen, overeenkomstig het gemeen recht.

Art. XVII.73

Kartelinbreuken worden geacht schade te berokkenen. De inbreukpleger heeft het recht dit vermoeden te weerleggen.

Art. XVII.74

§ 1.Op verzoek van elk van de partijen bij het geding die een met redenen omkleed verzoek heeft ingediend met feitelijke gegevens en redelijkerwijs beschikbare en voldoende bewijzen om de aannemelijkheid van zijn verzoek te staven, kan de rechter ten aanzien van een andere partij of een derde de overlegging gelasten van specifieke relevante bewijsstukken of relevante categorieën bewijsmateriaal, die zich in zijn bezit bevinden. Deze moeten zo nauwkeurig en zo eng mogelijk worden omschreven.

§ 2.De rechter beperkt de overlegging van het bewijsmateriaal tot wat evenredig is. Hierbij houdt de rechter rekening met de rechtmatige belangen van alle betrokken partijen en derden. Hij houdt in het bijzonder rekening met de volgende elementen:

1°de mate waarin het verzoek tot overlegging van het bewijsmateriaal wordt ondersteund door feitelijke gegevens en beschikbare bewijzen die dit verzoek verantwoorden;

2°de omvang en de kosten van het overleggen van het bewijsmateriaal, in het bijzonder voor betrokken derden, onder meer om te voorkomen dat op niet-specifieke wijze toegang wordt gezocht tot informatie waarvan het niet waarschijnlijk is dat zij relevant is voor de partijen in de procedure;

3°de mogelijkheid dat het bewijsmateriaal waarvan de overlegging gevraagd wordt vertrouwelijke informatie bevat, in het bijzonder met betrekking tot eventuele derden, en de bestaande maatregelen tot bescherming van deze vertrouwelijke informatie, overeenkomstig artikel XVII.75.

Art. XVII.75

De rechter kan de overlegging gelasten van het bewijsmateriaal dat vertrouwelijke informatie bevat, indien hij dat bewijsmateriaal relevant acht voor de rechtsvordering tot schadevergoeding.

Wanneer de rechter de overlegging van deze informatie gelast, neemt hij doeltreffende maatregelen om deze vertrouwelijke informatie te beschermen. Tot deze maatregelen behoren, onder meer, de mogelijkheid om gevoelige passages te verbergen door de houders van bewijsstukken de overlegging te vragen van niet-vertrouwelijke versies, samenvattingen te vragen van informatie uitgevoerd door deskundigen in een globale of niet-vertrouwelijke vorm, besloten zittingen te houden, of de groep personen die van het bewijsmateriaal kennis kan nemen te beperken.

Art. XVII.76

Alvorens de overlegging van het bewijsmateriaal te gelasten bij toepassing van de artikelen XVII.74 en XVII.75, vraagt de rechter volgens de nadere regels en de termijn die hij bepaalt, aan de persoon die gelast wordt met de overlegging van het bewijsmateriaal om schriftelijke opmerkingen in te dienen. Hij kan eveneens worden gehoord als de rechter hem hiertoe de toelating geeft.

Art. XVII.77

§ 1.De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing, onverminderd de artikelen XVII.74 tot XVII.76 en de regels en praktijken die gelden krachtens het recht van de Europese Unie, Boek IV of het mededingingsrecht van andere lidstaten betreffende de bescherming van de interne stukken van mededingingsautoriteiten en van de briefwisseling tussen mededingingsautoriteiten.

§ 2.De rechter kan de overlegging door de mededingingsautoriteit van bewijsmateriaal dat zich in het dossier van de mededingingsautoriteit bevindt enkel gelasten indien geen enkele partij of derde het gevraagde bewijsmateriaal redelijkerwijs kan verstrekken.

Art. XVII.78

§ 1.Bij het beoordelen van de evenredigheid van een bevel tot het overleggen van bewijsmateriaal dat zich in het dossier van de mededingingsautoriteit bevindt overeenkomstig artikel XVII.74, § 2, neemt de rechter bovendien het volgende in overweging:

1°of het verzoek tot overlegging van het bewijsmateriaal specifiek geformuleerd is wat betreft de aard, het onderwerp of de inhoud van de documenten die aan een mededingingsautoriteit zijn voorgelegd of zich in het dossier van een mededingingsautoriteit bevinden;

2°of de partij die om de overlegging van het bewijsmateriaal verzoekt, zulks doet in het kader van een rechtsvordering tot schadevergoeding en

3°wat artikelen XVII.77, § 2, en XVII.79, § 1, betreft of op verzoek van een mededingingsautoriteit bij toepassing van paragraaf 2 van dit artikel, de noodzaak om de doeltreffendheid van de tenuitvoerlegging van het mededingingsrecht te waarborgen door een mededingingsautoriteit of een beroepsinstantie.

§ 2.De rechter vraagt volgens de nadere regels en de termijn die hij bepaalt, aan de mededingingsautoriteit tot wie een verzoek tot overlegging van bewijsmateriaal gericht is om schriftelijke opmerkingen in te dienen betreffende de evenredigheid van dit verzoek. Zij kan eveneens worden gehoord als de rechter haar hiertoe de toelating geeft.

Art. XVII.79

§ 1.De rechter kan het overleggen van de volgende categorieën bewijsmateriaal alleen gelasten nadat de mededingingsautoriteit door een beslissing te nemen of anderszins haar procedure heeft beëindigd:

1°informatie die door een natuurlijke persoon of rechtspersoon specifiek voor de procedure van een mededingingsautoriteit is voorbereid;

2°informatie die een mededingingsautoriteit in de loop van haar procedure heeft opgesteld en aan de partijen heeft toegezonden en

3°schikkingsvoorstellen die zijn ingetrokken.

§ 2.De rechter kan op geen enkel moment een partij of een derde opdragen toegang te verlenen tot de volgende categorieën bewijsmateriaal:

1°clementieverklaringen en

2°voorstellen met het oog op een schikking.

§ 3.Een rechter kan op vertoon van een gemotiveerd verzoek van de eiser toegang krijgen tot bewijsmateriaal als bedoeld in paragraaf 2, uitsluitend om zich ervan te vergewissen dat de inhoud ervan voldoet aan de definities van artikel I.22, 14° en 16°.

Bij zijn beoordeling bedoeld in het eerste lid vraagt de rechter, volgens de nadere regels en de termijn die hij bepaalt, aan de auteur van het betrokken bewijsmateriaal om, schriftelijke opmerkingen in te dienen. Hij kan ook de mogelijkheid krijgen om gehoord te worden als de rechter het hem toestaat.

De rechter kan ook bijstand vragen van de bevoegde mededingingsautoriteit, volgens de nadere regels en de termijn die hij bepaalt.

In geen geval verleent de rechter aan andere partijen of derden toegang tot dit bewijsmateriaal.

§ 4.Indien slechts delen van het bewijsmateriaal ten aanzien waarvan toegang wordt verzocht, onder paragraaf 2 vallen, wordt tot de resterende delen, van het bewijsmateriaal, afhankelijk van de categorie waaronder zij vallen, toegang verleend overeenkomstig de artikelen XVII.77, XVII.78 en het huidige artikel.

§ 5.De rechter mag te allen tijde de overlegging gelasten van bewijsmateriaal uit het dossier van een mededingingsautoriteit dat niet tot één van de in de paragrafen 1 en 2 vermelde categorieën behoort.

Art. XVII.80

§ 1.Het bewijsmateriaal dat tot één van de in artikel XVII.79, § 2, vermelde categorieën behoort, dat door een natuurlijke persoon of rechtspersoon enkel via toegang tot het dossier van een mededingingsautoriteit werd verkregen, mag niet aan het dossier van de procedure worden toegevoegd. Als dit bewijsmateriaal toch wordt toegevoegd, is het niet toelaatbaar en wordt het ambtshalve uit alle debatten geweerd.

§ 2.Zolang een mededingingsautoriteit haar procedure niet heeft beëindigd door een besluit te nemen of op enige andere manier, mag het bewijsmateriaal dat tot één van de in artikel XVII.79, § 1, vermelde categorieën behoort, dat door een natuurlijke persoon of rechtspersoon enkel via toegang tot het dossier van een mededingingsautoriteit werd verkregen, niet aan het dossier van de procedure worden toegevoegd. Als dit bewijsmateriaal toch wordt toegevoegd, is het niet toelaatbaar en wordt het ambtshalve uit alle debatten geweerd.

§ 3.Bewijsmateriaal dat door een natuurlijke persoon of rechtspersoon enkel via toegang tot het dossier van een mededingingsautoriteit werd verkregen en dat niet onder paragraaf 1 of 2 valt, kan in rechtsvordering tot schadevergoeding enkel worden gebruikt door die persoon of door een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zijn rechtsopvolger is, daaronder begrepen een persoon die diens vordering heeft verworven.

Art. XVII.81

Onverminderd artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter aan partijen, aan derden of aan hun wettelijke vertegenwoordigers een geldboete van 1 000 tot 10 000 000 euro, opleggen onverminderd de schadevergoeding die zou worden gevraagd in de volgende gevallen:

1°niet-nakoming van een door een rechter uitgevaardigd bevel tot overlegging van bewijsmateriaal, of de weigering een dergelijk bevel na te leven;

2°de vernietiging van relevant bewijsmateriaal;

3°niet-nakoming van de op bevel van de rechter opgelegde verplichtingen ter bescherming van vertrouwelijke informatie, of weigering dergelijke verplichtingen na te leven;

4°inbreuk op de beperkingen op het gebruik van bewijsmateriaal waarin dit hoofdstuk voorziet.

De geldboete moet doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn, rekening houdend met de onderneming of persoon aan wie ze wordt opgelegd en met de concrete omstandigheden van het geval, zoals het bedrag van de schadevordering, het doorslaggevende belang van het bewijs waarvan de overlegging wordt bevolen door de rechter, zijn bewijswaarde, de ernst van de procedurele inbreuk en het al dan niet bestaan van opzet om de inbreuk te plegen in hoofde van één van de partijen, een derde of hun wettelijke vertegenwoordigers.

De boete wordt geïnd door de administratie van de Registratie en Domeinen met aanwending van alle middelen van recht.

Wanneer één van de gevallen vermeld in het eerste lid te wijten is aan de gedragingen van een partij kan de rechter hieruit bovendien de nadelige conclusies trekken die hij passend acht, bijvoorbeeld dat een punt van discussie bewezen is of dat vorderingen en verweermiddelen geheel of ten dele worden afgewezen. Hij kan eveneens de betaling van de kosten gelasten.

Art. XVII.82

§ 1.Een inbreuk op het mededingingsrecht vastgesteld in het kader van een definitieve beslissing door de Belgische Mededingingsautoriteit of, in voorkomend geval, in het kader van een arrest van het Marktenhof dat in kracht van gewijsde is getreden en dat uitspraak doet over een beroep tegen een beslissing van de Belgische Mededingingsautoriteit conform artikel IV.79, wordt geacht onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een rechtsvordering tot schadevergoeding voor een inbreuk op het mededingingsrecht.

§ 2.Een definitieve beslissing waarbij een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld, genomen in een andere lidstaat van de Europese Unie door een nationale mededingingsautoriteit of zijn beroepsinstantie, wordt minstens aanvaard als een begin van bewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan en kan onderzocht worden samen met de andere door de partijen aangevoerde bewijselementen.

Art. XVII.83

De verweerder in een rechtsvordering tot schadevergoeding kan als verweer tegen een schadevordering aanvoeren dat de eiser de door de inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte meerkosten volledig of ten dele heeft doorberekend. De bewijslast dat de meerkosten zijn doorberekend, rust op de verweerder, die de eiser en/of derden redelijkerwijs om de overlegging van het bewijsmateriaal kan vragen conform de artikelen van dit hoofdstuk.

Het recht van een benadeelde partij om in geval van winstderving door een volledige of gedeeltelijke doorberekening van de meerkosten schadevergoeding te vorderen en te verkrijgen, wordt door het eerste lid onverlet gelaten.

Art. XVII.84

Wanneer het bestaan van een schadevordering of het bedrag van de vergoeding afhangt van de doorberekening van de meerkosten of van de omvang ervan, berust de bewijslast van het bestaan en de omvang van deze doorberekening van de meerkosten bij de eiser. Hiertoe kan hij redelijkerwijs aan de verweerder of aan derden de overlegging van het bewijsmateriaal vragen in overeenstemming met de artikelen van dit hoofdstuk.

Wanneer de eiser echter een indirecte afnemer is, wordt hij geacht het bewijs te hebben geleverd dat er doorberekening aan hem heeft plaatsgevonden, wanneer hij heeft aangetoond dat:

1°de verweerder een inbreuk op het mededingingsrecht heeft gemaakt;

2°de inbreuk op het mededingingsrecht heeft geleid tot meerkosten voor de directe afnemer van de verweerder en

3°de indirecte afnemer de goederen of diensten waarop de inbreuk op het mededingingsrecht betrekking had, heeft afgenomen dan wel goederen of diensten heeft afgenomen die daarvan zijn afgeleid of waarin deze zijn verwerkt.

Het tweede lid is echter niet van toepassing indien de rechter meent dat de verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de meerkosten niet gedeeltelijk of volledig aan de indirecte afnemer werden doorberekend.

Art. XVII.85

Teneinde te voorkomen dat door eisers op verschillende niveaus van de toeleveringsketen rechtsvorderingen tot schadevergoeding worden ingesteld die tezamen aanleiding geven tot een meervoudige aansprakelijkheid of tot het ontbreken van aansprakelijkheid van de inbreukpleger, kan de rechter bij wie een rechtsvordering tot schadevergoeding aanhangig is gemaakt, bij de beoordeling van de vraag of aan de uit de toepassing van de artikelen XVII.83, eerste lid, en XVII.84, voortvloeiende bewijslast is voldaan, met gebruikmaking van de in het recht van de Europese Unie of het Belgisch recht beschikbare rechtsmiddelen naar behoren rekening houden met een of meer van de volgende factoren:

a)rechtsvorderingen tot schadevergoeding die verband houden met dezelfde inbreuk op het mededingingsrecht, maar die worden ingesteld door eisers op een ander niveau van de toeleveringsketen;

b)uitspraken die het gevolg zijn van rechtsvorderingen tot schadevergoeding als bedoeld onder a);

c)relevante, tot het publiek domein behorende informatie uit zaken betreffende de handhaving van het mededingingsrecht door een mededingingsautoriteit of een beroepsinstantie.

Art. XVII.86

§ 1.Ondernemingen en/of verenigingen van ondernemingen die door een gemeenschappelijk optreden inbreuk hebben gemaakt op het mededingingsrecht zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de door deze inbreuk veroorzaakte schade.

§ 2.Wanneer in afwijking van paragraaf 1, de inbreukpleger een kleine of middelgrote onderneming is (hierna "K.M.O.") in de zin van de aanbeveling 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, is hij enkel hoofdelijk aansprakelijk voor de schade:

1°jegens zijn directe of indirecte afnemers of leveranciers en

2°jegens de andere benadeelde partijen, doch slechts indien geen volledige schadevergoeding kan worden verkregen van de andere bij dezelfde inbreuk op het mededingingsrecht betrokken ondernemingen.

Om in aanmerking te komen voor de afwijking bedoeld in het eerste lid, moet de K.M.O. aan de volgende voorwaarden voldoen:

1°haar marktaandeel op de relevante markt moet op gelijk welk moment tijdens de inbreuk op het mededingingsrecht minder dan 5 % bedragen en

2°de toepassing van de regels van hoofdelijke aansprakelijkheid zou haar economische levensvatbaarheid onherstelbaar in gevaar brengen en zou haar vermogensbestanddelen al hun waarde doen verliezen.

De uitzondering als bedoeld in het eerste lid geldt echter niet indien:

1°de K.M.O. een leidinggevende rol heeft gespeeld bij de inbreuk op het mededingingsrecht of andere ondernemingen heeft gedwongen om deel te nemen aan de inbreuk of

2°de K.M.O. voordien schuldig is bevonden aan een inbreuk op het mededingingsrecht.

§ 3.In afwijking van paragraaf 1, is de begunstigde van een volledige vrijstelling van geldboetes slechts hoofdelijk aansprakelijk voor de schade jegens:

1°zijn directe of indirecte afnemers of leveranciers en

2°de andere benadeelde partijen, doch slechts indien geen volledige schadevergoeding kan worden verkregen van de andere bij dezelfde inbreuk op het mededingingsrecht betrokken ondernemingen.

Art. XVII.87

§ 1.De inbreukpleger die het geheel of een deel van het schadebedrag betaald heeft, kan bij elke andere inbreukpleger een bijdrage terugvorderen waarvan het bedrag overeenkomt met de relatieve verantwoordelijkheid van elk van hen voor de door de genoemde inbreuk veroorzaakte schade.

§ 2.In afwijking van paragraaf 1 mag de bijdrage van een inbreukpleger die geniet van een volledige vrijstelling van geldboetes is, niet groter zijn dan de omvang van de schade die deze inbreuk aan zijn eigen directe of indirecte afnemers of leveranciers heeft berokkend.

Voor zover de inbreuk op het mededingingsrecht schade heeft veroorzaakt aan andere benadeelde partijen dan de directe of indirecte afnemers of leveranciers van de inbreukplegers, mag het bedrag van de bijdrage van de inbreukpleger die ontvanger van een volledige vrijstelling van geldboetes is, niet groter zijn dan het bedrag dat overeenstemt met zijn relatieve verantwoordelijkheid voor de schade die door de genoemde inbreuk werd berokkend.

Art. XVII.88

§ 1.Wanneer de benadeelde partij een minnelijke schikking heeft gesloten met de inbreukpleger wordt de schadevordering van de bij de schikking betrokken benadeelde partij verminderd met het aandeel dat de bij de schikking betrokken inbreukpleger heeft gehad in de schade die de benadeelde partij door de inbreuk op het mededingingsrecht heeft geleden.

De resterende schadevordering van de bij de schikking betrokken benadeelde partij kan alleen worden uitgeoefend tegen niet bij de schikking betrokken inbreukplegers, die daarvoor geen bijdrage kunnen terugvorderen van de bij de schikking betrokken inbreukpleger.

§ 2.In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, kan de bij de schikking betrokken benadeelde partij, wanneer de niet bij de schikking betrokken inbreukplegers op het mededingingsrecht niet bij machte zijn de met de resterende schadevordering overeenstemmende schade te vergoeden, de resterende schadevordering tegen de bij de schikking betrokken inbreukpleger uitoefenen.

De in de eerste alinea bedoelde afwijking kan in de voorwaarden van de minnelijke schikkingen uitdrukkelijk worden uitgesloten.

§ 3.Bij het bepalen van het bedrag van de bijdrage dat door een inbreukpleger van een andere inbreukpleger kan worden teruggevorderd naar rato van hun relatieve aansprakelijkheid voor de door de inbreuk op het mededingingsrecht berokkende schade, houdt de rechter rekening met schade die reeds vergoed is in het kader van een vroegere minnelijke schikking waarbij de inbreukpleger in kwestie betrokken was.

Art. XVII.89

Onverminderd artikel 1682 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter bij wie een rechtsvordering tot schadevergoeding is aangebracht de procedure opschorten gedurende een niet-verlengbare periode die tot twee jaar kan duren wanneer de partijen bij deze procedure deelnemen aan een minnelijke oplossing van geschillen betreffende de eis gedekt door de rechtsvordering tot schadevergoeding.

Art. XVII.90

§ 1.De verjaringstermijnen van het gemeen recht voor het instellen van rechtsvordering tot schadevergoeding voor inbreuken op het mededingingsrecht beginnen te lopen vanaf de dag die volgt op de dag waarop de inbreuk op het mededingingsrecht is stopgezet en waarop de eiser weet heeft of redelijkerwijs geacht kan worden weet te hebben van:

1°de gedraging en het feit dat deze gedraging een inbreuk op het mededingingsrecht vormt;

2°het feit dat hij door de inbreuk op het mededingingsrecht schade heeft geleden en

3°de identiteit van de inbreukpleger.

Voor de voortdurende of herhaalde inbreuken wordt de inbreuk geacht te zijn beëindigd op de dag waarop de laatste inbreuk is geëindigd.

§ 2.De verjaringstermijnen bedoeld in paragraaf 1 worden gestuit wanneer een mededingingsautoriteit een handeling verricht tot onderzoek of vervolging van de inbreuk op het mededingingsrecht waarop de rechtsvordering tot schadevergoeding betrekking heeft. Deze stuiting eindigt op de dag die volgt op de dag na de vaststelling van een definitieve inbreukbeslissing of nadat de procedure op een andere wijze is beëindigd.

Art. XVII.91

De minnelijke oplossing van geschillen, met uitzondering van de arbitrage, schorst de verjaringstermijnen voor het instellen van een rechtsvordering tot schadevergoeding voor de ganse duur van die minnelijke oplossing van geschillen. Deze schorsing is enkel van toepassing op partijen die bij deze procedure betrokken zijn of betrokken geweest zijn of er vertegenwoordigd werden.