Deze titel is van toepassing op iedere betalingsachterstand van een schuld van een consument aan een onderneming.
Boek XIX - Schulden van de consument
TITEL 1 - Betaling van schulden door consumenten aan ondernemingen
XIX.1–XIX.4
Art. XIX.2
§ 1.Wanneer de consument zijn schuld niet heeft betaald op de vervaldatum en een schadebeding van toepassing is, kan dit beding enkel toegepast worden na het verzenden van een ingebrekestelling die de vorm aanneemt van een eerste herinnering en na het verstrijken van een termijn van ten minste veertien kalenderdagen die ingaat op de derde werkdag na verzending van de herinnering aan de consument.
Wanneer de herinnering langs elektronische weg wordt verzonden, vangt de termijn van veertien kalenderdagen aan op de kalenderdag die volgt op de dag waarop de herinnering werd verzonden aan de consument.
§ 2.Er mogen geen kosten worden aangerekend aan de consument voor de eerste herinnering bij niet-betaling van één vervaldatum.
In afwijking van het eerste lid, mogen er per kalenderjaar geen kosten worden aangerekend aan de consument voor de herinneringen bij niet-betaling van drie vervaldata in het geval van overeenkomsten betreffende de regelmatige levering van goederen of diensten. De kosten voor bijkomende herinneringen mogen niet hoger liggen dan 7,50 euro, vermeerderd met de op het ogenblik van de verzending geldende portokosten.
De herinneringen worden verzonden op een duurzame drager.
§ 3.De eerste herinnering bevat minimaal de volgende gegevens:
1°het verschuldigde saldo en het bedrag van het schadebeding dat zal worden geëist bij niet-betaling binnen de termijn van veertien kalenderdagen bedoeld in paragraaf 1;
2°de naam of de benaming, en het ondernemingsnummer van de onderneming die schuldeiser is;
3°een beschrijving van het product dat de schuld heeft doen ontstaan, alsook de datum van opeisbaarheid van deze schuld;
4°de termijn bedoeld in paragraaf 1, waarbinnen de schuld moet terugbetaald worden vooraleer enige kost, interesten of vergoedingen bedoeld in artikel XIX.4 mogen worden gevorderd.
§ 4.Als de consument zijn schuld niet heeft betaald wanneer de termijn van veertien kalenderdagen bedoeld in paragraaf 1, is afgelopen, en wanneer een schadebeding bepaalt dat er een verwijlinterest zoals bedoeld in artikel XIX.4, eerste lid, 1°, van toepassing is, kan de onderneming die een kmo is, beslissen om de verwijlinterest te laten lopen vanaf de kalenderdag die volgt op de dag waarop de herinnering aan de consument wordt verzonden.
Een kmo is elke onderneming die, op het moment van de toepassing van dit artikel, voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 1:24, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
§ 5.De bewijslast betreffende de naleving van de verplichtingen bedoeld in dit artikel ligt bij de onderneming.
§ 6.Is verboden en nietig, elk beding dat vrijstelt van de voorafgaande vormvereisten bepaald in dit artikel.
Art. XIX.3
De onderneming verstrekt onverwijld, op vraag van de consument, op een duurzame drager, alle bewijsstukken van de schuld en alle nodige informatie over hoe een betwisting van de schuld in te dienen.
Art. XIX.4
In geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de schuld na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel XIX.2, § 1, kan geen enkele andere betaling dan deze hierna vermeld worden gevorderd van de consument:
1°de verwijlinteresten die niet hoger mogen zijn dan de interest tegen de referentie-interestvoet vermeerderd met acht procentpunten bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. Deze interesten worden berekend op de nog te betalen som, en/of;
2°een forfaitaire vergoeding, in zoverre ze uitdrukkelijk bepaald is, waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan:
a)20 euro als het verschuldigde saldo lager dan of gelijk aan 150 euro is;
b)30 euro vermeerderd met 10 % van het verschuldigde bedrag op de schijf tussen 150,01 en 500 euro als het verschuldigde saldo tussen 150,01 en 500 euro is;
c)65 euro vermeerderd met 5 % van het verschuldigde bedrag op de schijf boven 500 euro met een maximum van 2000 euro als het verschuldigde saldo hoger dan 500 euro is.
De bedragen bedoeld in het eerste lid zijn bestemd om enerzijds de verwijlinteresten van de schuld, en anderzijds alle kosten van de minnelijke invordering van de onbetaalde schuld te dekken.
Is verboden en wordt voor niet geschreven gehouden, elk schadebeding dat bedragen bevat die niet bepaald zijn in het eerste lid.
Dit artikel geldt onverminderd artikel VI.83, 24°.