Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL II - Verzekering voor geneeskundige verzorging. › Fbis

Afdeling XIII - (Het Nationaal college van adviserend artsen en de lokale colleges).

120–122

Art. 120

Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt een Nationaal college van adviserend artsen ingesteld. Dit college heeft tot opdracht:

1°een huishoudelijk reglement op te maken;

2°(de opvolging verzekeren van de in artikel 153 van dit besluit en van de in artikel 8, § 7, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, bedoelde beslissingen van de adviserend artsen en van de door hen vastgestelde onregelmatigheden.)

Daartoe bezorgen de adviserend artsen elk kwartaal aan het college, via hun medische directie en volgens de door dit college vastgestelde modaliteiten, de statistische informatie betreffende hun beslissingen en vaststellingen van onregelmatigheden.

Het college verricht het lichamelijk onderzoek bij de rechthebbenden als het dat nodig acht en wijzigt eventueel de door de adviserend arts genomen beslissing. De beslissing van het college kan geen terugwerkende kracht hebben. Zij blijft geldig voor een periode van maximum één jaar.

Van die beslissing wordt kennis gegeven aan de rechthebbende, aan de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten of ingeschreven, aan de inrichting waar hij is opgenomen of aan de verpleegkundige (associatie, groepspraktijk, dienst voor thuisverpleging) die instaat voor de in het kader van de thuisverpleging vereiste zorg.

Het college kan, als het dat nuttig acht, nagaan of in een bepaalde inrichting de reglementaire normen inzake de aanwezigheid van het personeel die zijn vastgesteld krachtens artikel 37, § 12, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, worden nageleefd, alsook of de door (de in hetzelfde artikel bedoelde tegemoetkoming) gedekte verzorging daadwerkelijk wordt verleend. Daartoe kan het aan het genoemde personeel en aan de directie van de inrichting alle informatie vragen die het nuttig acht voor de uitvoering van deze opdracht;

3°de in artikel 34, 11° en 12°, van de in de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bedoelde diensten en instellingen, met name aan de hand van statistische gegevens die het op zijn verzoek door bedoelde diensten of instellingen zijn bezorgd, te controleren op de wijze waarop ze de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen naleven.

Op verzoek van de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging, gelast het Nationaal college van adviserend artsen sommige van zijn leden een enquête ter plaatse te verrichten om na te gaan of de afhankelijkheidscategorieën waarin de gehuisveste rechthebbenden zijn ondergebracht, de in de artikelen 150 en 151 gestelde voorwaarden vervullen en of de inrichting de in artikel 152, § 4, vastgestelde voorschriften toepast. Het Nationaal college brengt, binnen zestig dagen na de voormelde aanvraag, van die enquête verslag uit bij de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging;

4°het (de vastgestelde onregelmatigheden rapporteren) aan de betrokken organen, namelijk de Dienst voor administratieve controle voor de aanwezigheid van het personeel, de Dienst voor geneeskundige controle voor de daadwerkelijke uitvoering van de verstrekkingen en (de Dienst voor geneeskundige verzorging voor de andere vastgestelde onregelmatigheden). Deze onregelmatigheden worden door het college ingezameld volgens de bepalingen zoals vermeld in punt 2°;

5°het bezorgen, via de medische directies, van bijkomende informatie aan adviserend artsen om te komen tot meer gerichte controles;

6°de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging jaarlijks verslag uit te brengen van zijn activiteiten.

Art. 121

Het Nationaal college van adviserend artsen is samengesteld uit (dertien werkende en dertien plaatsvervangende leden), adviserend artsen, gekozen uit kandidaten die in dubbel aantal van dat van de toe te wijzen mandaten door de verzekeringsinstellingen worden voorgedragen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt er rekening gehouden met haar respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.

De leden worden door de Koning benoemd.

Het college stelt onder zijn leden een voorzitter aan.

De leden van het Nationaal college van adviserend artsen worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden. Het mandaat van de helft van de leden werd voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1986 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.

Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.

Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van het Nationaal college van adviserend artsen. het aldus aangestelde lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.

Art. 122

(§ 1.) Het Nationaal college van adviserend artsen houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van de leden aanwezig is.

Alle leden van het Nationaal college zijn stemgerechtigd. De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.

(Derde lid opgeheven)

De functies van secretaris en adjunct-secretaris van het Nationaal college van adviserend artsen worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van bedoelde dienst.

(§ 2. Voor de uitvoering van de in artikel 120, 2°, 3° en 4° bedoelde opdrachten, richt het Nationaal college afdelingen op die zijn samengesteld uit:

1°ten minste twee van zijn leden;

2°adviserend artsen - leden of niet-leden - en/of verpleegkundigen en/of kinesitherapeuten die, overeenkomstig artikel 153, §§ 3 en 4, van de gecoördineerde wet, door de adviserend artsen-directeurs gemandateerd zijn, ervoor zorgend dat ten minste drie verschillende verzekeringsinstellingen in de afdeling vertegenwoordigd zijn.

§ 3.Voor de uitvoering van de in artikel 120, 2°, 3° en 4° bedoelde opdrachten kan het Nationaal college een beroep doen op onder zijn toezicht geplaatste lokale colleges die zijn samengesteld uit:

1°een adviserend arts, provinciaal verantwoordelijk, die, op voordracht van de verzekeringsinstellingen, door het Nationaal college wordt aangewezen. Het Nationaal college kan per provincie meerdere verantwoordelijken aanwijzen die, ofwel om beurt, ofwel op grond van een geografische spreiding, die taken op zich nemen;

2°ten minste drie adviserend artsen en/of verpleegkundigen en/of kinesitherapeuten, door die adviserend artsen gemandateerd overeenkomstig artikel 153, §§ 3 en 4, van de gecoördineerde wet, die voorkomen op een lijst die, op voorstel van de verzekeringsinstellingen, door het Nationaal college is opgemaakt.

In elk lokaal college zijn ten minste drie verzekeringsinstellingen vertegenwoordigd.

§ 4.(Het lichamelijk onderzoek van elke rechthebbende wordt uitgevoerd door ten minste twee leden van de afdelingen van het Nationaal College of van de lokale colleges die hun beslissingen bij consensus nemen. Indien die twee leden het niet eens zijn, wordt de rechthebbende opnieuw onderzocht door alle leden van de afdeling of van het lokale college. De genomen beslissingen worden met een aangetekende brief van ofwel een adviserend arts, lid van het Nationaal College, ofwel de adviserend arts, provinciaal verantwoordelijke, aan de zorgverlener meegedeeld. Ze delen ze mee aan het secretariaat van het Nationaal College dat ze voor uitvoering doorstuurt naar de verschillende verzekeringsinstellingen.)

§ 5.De procedures die door die afdelingen en lokale colleges voor de uitvoering van hun opdrachten moeten worden gevolgd, worden door het Nationaal college gedetailleerd vastgesteld in zijn huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 120, 1°.)