§ 1.De werknemer, als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de werknemer die een vergoeding geniet wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst bedoeld in voormeld artikel, heeft recht op een uitkering voor de werkdagen van het pleegouderverlof bedoeld in artikel 30sexies van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Het uitkeringspercentage wordt vastgesteld op 82 % van het gederfde loon, bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht, en op basis van de modaliteiten vastgelegd door de verordening bedoeld in artikel 80, § 1, 5°, van de gecoördineerde wet. Het maximumbedrag ten belope waarvan dit loon in aanmerking wordt genomen, is het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
§ 2.De uitkering voor pleegouderverlof wordt toegekend onder dezelfde voorwaarden als deze vastgesteld voor de toekenning van de moederschapsuitkering. In dat kader is de uitoefening van de in artikel 115, derde lid van de gecoördineerde wet bedoelde activiteiten evenwel mogelijk vanaf de eerste dag van het pleegouderverlof.
§ 3.De dagen gedekt door een uitkering toegekend tijdens het pleegouderverlof, worden gelijkgesteld met arbeidsdagen voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit.