Alle wetboeken › KB WVV

BOEK 7 - De besloten vennootschap, de coöperatieve vennootschap en de naamloze vennootschap

7:1–7:15

Art. 7:1

§ 1.Voor de toepassing van deze titel, wordt verstaan onder:

1°"bieder": de persoon die de voorwaarden van artikel 7:2 vervult en een uitkoopbod doet;

2°"doelvennootschap": de niet-genoteerde besloten of naamloze vennootschap wiens effecten door het uitkoopbod worden beoogd;

3°"kredietinstelling": een kredietinstelling waarop de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen van toepassing is;

4°"effecten waarop het uitkoopbod slaat": effecten die al dan niet het kapitaal vertegenwoordigen en stemrecht verlenen, alsook effecten die recht geven op inschrijving op of verwerving van dergelijke effecten of op omzetting in dergelijke effecten, met uitzondering van obligaties uitgegeven door de vennootschap die niet converteerbaar zijn of waaraan geen inschrijvingsrechten zijn verbonden;

5°"personen die in onderling overleg optreden": personen tussen wie een akkoord bestaat met voor de partijen als doel of gevolg een parallelle gedragslijn te volgen voor de verwerving of de overdracht van effecten van de doelvennootschap, van de bieder of van de vennootschap waarvan de effecten als tegenwaarde worden aangeboden;

6°"verbonden personen": vennootschappen die onderling zijn verbonden als bedoeld in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen alsmede andere natuurlijke en rechtspersonen, wanneer tussen hen een affiliatieverband bestaat in de zin van hetzelfde artikel 1:20;

7°"controle van een vennootschap": de bevoegdheid omschreven in artikel 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;

8°"gezamenlijke controle": de controle omschreven in artikel 1:18 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;

§ 2.Worden behoudens tegenbewijs beschouwd als een akkoord met voor de partijen als doel of als gevolg een parallelle gedragslijn te volgen voor de verwerving of de overdracht van effecten van de betrokken vennootschap:

1°andere dan statutaire overeenkomsten die een blokkering van de effecten, een goedkeuring of een gelijkaardig mechanisme voor de verwerving of overdracht van effecten van de betrokken vennootschap inhouden;

2°andere dan statutaire overeenkomsten waarin een recht van voorkoop dan wel opties of verplichtingen tot aankoop of verkoop van effecten van de betrokken vennootschap zijn bedongen;

3°de gezamenlijke controle over een vennootschap die effecten bezit van de betrokken vennootschap.

§ 3.Worden behoudens tegenbewijs vermoed in onderling overleg op te treden:

1°de bieder, de leden van zijn bestuursorganen en de vennootschappen die hij controleert of die hem controleren, alsook andere personen met wie zij een akkoord als bepaald in paragraaf 2 hebben gesloten;

2°de doelvennootschap, de leden van haar bestuursorganen en de vennootschappen die zij controleert of die haar controleren alsook andere personen met wie zij een akkoord als bepaald in paragraaf 2 hebben gesloten;

3°andere personen die met de in het 1° of 2° bedoelde personen een akkoord hebben gesloten om de verwerving van effecten van de doelvennootschap te financieren en die bij het resultaat van het bod een belang hebben dat niet uitsluitend een belang als schuldeiser is;

4°onderling verbonden personen.

Art. 7:2

De bieder moet alleen, rechtstreeks of onrechtstreeks, dan wel in onderling overleg, 95 % van de stemrechtverlenende effecten van de doelvennootschap bezitten; om dit quotum van 95 % te berekenen worden de effecten in bezit van met de bieder verbonden personen en van personen die in overleg met hem handelen, bij de effecten in bezit van de bieder geteld.

Dit percentage wordt berekend op het ogenblik waarop het verslag van de bieder als bedoeld in artikel 7:4, § 2, is opgesteld.

Art. 7:3

De bieder moet zich, wat hem betreft, ertoe verbinden het bod ten einde te brengen en mag, zodra hij de in artikel 7:6 bepaalde kennisgeving heeft verricht, geen effecten waarop het bod betrekking heeft, verwerven tegen andere voorwaarden dan die van het bod, tenzij hij die uitbreidt tot alle begunstigden van het bod.

Alle voor de verwezenlijking van het uitkoopbod noodzakelijke middelen moeten beschikbaar zijn, hetzij op een rekening bij een kredietinstelling, hetzij in de vorm van een onherroepelijk en onvoorwaardelijk krediet dat een kredietinstelling voor de bieder heeft geopend; deze middelen moeten worden geblokkeerd om de betaling te waarborgen van de aankoopprijs van de effecten die in het kader van het uitkoopbod zijn verworven of uitsluitend daartoe worden aangewend.

Art. 7:4

§ 1.De bieder bepaalt de prijs voor het uitkoopbod, rekening houdend met de belangen van de eigenaars van effecten.

§ 2.De bieder moet een schriftelijk en omstandig verslag opstellen over de verrichting. Dit verslag moet alle noodzakelijke inlichtingen bevatten opdat de eigenaars van effecten van de doelvennootschap zich met kennis van zaken een oordeel zouden kunnen vormen over de verrichting, en moet tenminste de volgende elementen bevatten:

1°in verband met de bieder, of de bieders wanneer er meer dan een is:

a)of hij alleen optreedt, rechtstreeks of onrechtstreeks, of in onderling overleg met anderen;

b)op de dag waarop het verslag wordt opgesteld, hoeveel en welke categorieën en soorten stemrechtverlenende effecten rechtstreeks of onrechtstreeks in het bezit zijn van de bieder, van met de bieder verbonden personen en van personen die in overleg met hem handelen;

c)de volledige identiteit van de bieder en van alle met hem verbonden personen en van personen die in overleg met hem handelen voor het uitkoopbod.

2°in verband met het uitkoopbod:

a)hoeveel en welke effecten de bieder voornemens is te verwerven;

b)vermelding en verantwoording van de voorgestelde prijs voor de effecten waarop het uitkoopbod slaat, en als verschillende categorieën of soorten van effecten tegen verschillende prijzen zijn verworven, vermelding van deze prijzen en verantwoording van de prijsverschillen. Het verslag vermeldt volgens welke methodes de prijs is bepaald, het relatieve belang van elk van die methodes, de waarden die elke methode oplevert, de eventuele ondervonden problemen;

c)vermelding van de voorziene aanvangs- en de slotdatum van de aanvaardingsperiode van het uitkoopbod;

d)vermelding van de plaats waar de aanvaarding van het bod en de effecten waarop het bod slaat moeten worden neergelegd, alsmede de uiterste datum van de neerlegging; vermelding van de plaats waar de houders van de effecten schriftelijk hun weigering tot afstand kunnen betekenen, mits identificatie van hun effecten;

e)vermelding van de datum en de wijze van betaling;

f)vermelding dat de eventuele taksen en kosten ten laste zijn van de bieder;

g)vermelding van de plaats waar en de wijze waarop de effecten die na afsluiting van het aldus heropende bod niet zijn aangeboden, worden geconsigneerd.

3°in verband met de doelvennootschap:

de naam van de vennootschap, de datum van oprichting ervan, het doel, het adres van de zetel van de vennootschap, de vermelding van de wijzigingen die in de loop van de laatste 10 jaar in de statuten zijn aangebracht, met verwijzing naar de bekendmakingen, de namen van de leden van het bestuursorgaan met vermelding van hun bevoegdheid.

Art. 7:5

Bij het schriftelijke en omstandige verslag van de bieder wordt gevoegd:

1°een schriftelijk verslag van een bedrijfsrevisor, een accountant ingeschreven op het Tableau van de externe accountants van het Instituut van Accountants en de Belastingsconsulenten. In dit verslag spreekt de bedrijfsrevisor of de accountant zich uit over de relevantie, ten aanzien van de gebruikelijk gehanteerde waarderingscriteria, van de door de bieder gebruikte waarderingsmethode(s) om de vennootschap te waarderen en de prijs te rechtvaardigen; de bedrijfsrevisor of de accountant vermeldt ook of hij van oordeel is dat de prijs de belangen van de eigenaars van effecten veilig stelt.

2°het advies van het bestuursorgaan van de doelvennootschap, waarin het bestuursorgaan stelt dat het door de bieder opgesteld verslag naar zijn oordeel geen leemten vertoont of geen gegevens bevat die de eigenaars van effecten van de doelvennootschap kunnen misleiden. Bovendien moet in dit advies het oordeel staan van het bestuursorgaan over het verslag van de onder het 1° vermelde bedrijfsrevisor of accountant. Tot slot moet het advies vermelden of hij vindt dat met de prijs de belangen van de effectenhouders al dan niet veilig komen worden gesteld.

Art. 7:6

Wanneer niet alle effecten op naam zijn, moet tweemaal, met een tussentijd van ten minste acht dagen, in een landelijk verspreid blad en in een blad uit de streek waar de vennootschap haar zetel heeft, een bericht worden bekendgemaakt waarin wordt vermeld waar de eigenaars van effecten de in de artikelen 7:4 en 7:5 bedoelde verslagen kunnen verkrijgen.

Wanneer alle effecten op naam zijn, moeten die verslagen met een aangetekende brief worden verzonden.

Elke eigenaar van effecten kan kosteloos en op verzoek een volledige kopie krijgen van de in de artikelen 7:4 en 7:5 bedoelde verslagen.

Art. 7:7

De eigenaars van effecten waarop het bod slaat, beschikken over een termijn van dertig dagen na bekendmaking van het tweede bericht als bedoeld in artikel 7:6, eerste lid, om schriftelijk de bieder hun bezwaren mede te delen tegen het bod en, meer in het bijzonder, tegen de waardering van de effecten van de doelvennootschap of de geboden prijs, inzonderheid uit het oogpunt van het veilig stellen van de belangen van de eigenaars van effecten.

Wanneer alle effecten op naam zijn, loopt de termijn vanaf de verzending van de aangetekende brieven als bedoeld in artikel 7:6, tweede lid.

Art. 7:8

Indien in de loop van de in artikel 7:7 genoemde termijn, bezwaren zijn gemaakt, kan de bieder hetzij zijn oorspronkelijke bod handhaven, hetzij het in gunstigere zin voor de effectenhouders wijzigen.

De bieder maakt de beslissing die hij heeft genomen met toepassing van het eerste lid, of, wanneer geen bezwaar werd medegedeeld, het behoud van het bod, bekend via een bericht dat binnen de vijftien dagen volgend op het eind van de in artikel 7:7 bepaalde termijn wordt bekendgemaakt in een landelijk verspreid blad en in een blad uit de streek waar de vennootschap haar zetel heeft. Dit bericht herhaalt de plaats waar de eigenaars van effecten de in de artikelen 7:4 en 7:5 bedoelde verslagen kunnen bekomen en geeft de er gebeurlijk aangebrachte wijzigingen alsmede de aanvangs- en slotdata van de aanvaardingsperiode van het uitkoopbod, aan.

Wanneer alle effecten op naam zijn, kan deze publicatie worden vervangen door de verzending van aangetekende brieven aan alle eigenaars van effecten binnen de vijftien dagen volgend op het eind van de in artikel 7:7 bepaalde termijn.

Art. 7:9

Vanaf de datum waarop het verslag van de bieder als bedoeld in artikel 7:4 werd opgesteld, mag het uitkoopbod enkel worden gewijzigd met toepassing van artikel 7:3, eerste lid of van artikel 7:8, eerste lid.

Art. 7:10

De periode voor de aanvaarding van het uitkoopbod bedraagt minimum tien en maximum twintig dagen, te rekenen vanaf de datum van de bekendmaking overeenkomstig artikel 7:8.

Art. 7:11

Met uitzondering van de effecten waarvan de eigenaars uitdrukkelijk en schriftelijk voor het sluiten van de aanvaardingsperiode van het bod hebben te kennen gegeven dat ze er geen afstand van willen doen, worden de effecten die na afsluiting van het bod niet zijn aangeboden, geacht van rechtswege op de bieder te zijn overgegaan. De betaling van de overgedragen effecten geschiedt ten laatste binnen één maand na afsluiting van het bod. De middelen die noodzakelijk zijn voor de betaling van de overgedragen effecten, worden geconsigneerd bij de Deposito- en Consignatiekas ten gunste van hun vroegere eigenaars.

Art. 7:12

§ 1.Vanaf de opmaak van het register van effecten op naam dat in elektronische vorm wordt gehouden overeenkomstig de artikelen 5:24, 6:24 of 7:28 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen geldt enkel de inschrijving in dit register, tot het bewijs van het tegendeel, als vermoeden houder te zijn van de effecten waarvoor de betrokkene is ingeschreven, zoals bepaald in de artikelen 5:29, 6:28 en 7:34 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Dit vermoeden geldt niet voor een eventueel papieren register dat nog zou blijven voortbestaan, dat geen officieel karakter meer heeft en bijgevolg geen andere bewijswaarde heeft dan deze die het kan genieten op basis van de bewijsregels van het gemeen recht.

§ 2.Wanneer een bestaande vennootschap een elektronisch effectenregister opmaakt, wordt de op datum van de omzetting van het register bestaande toestand overgenomen onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Het papieren register, dat de historiek bevat van de verrichtingen met betrekking tot de effecten, wordt bewaard op de statutaire zetel van de vennootschap, met het oog op de bewijswaarde van de inschrijvingen die dateren van voor de opmaak van het elektronisch register.

§ 3.De keuze om voor een bepaalde categorie van effecten een elektronisch register te houden, impliceert geen verplichting om de effectenregisters voor de andere categorieën van effecten in dezelfde vorm te houden.

§ 4.De vennootschap kan zelf het elektronisch register bewaren en beheren voor eigen rekening of kan voor de bewaring en het beheer van het elektronisch register beroep doen op een vertrouwensderde. De vennootschap die optreedt voor eigen rekening en de vertrouwensderde die optreedt voor rekening van de vennootschap zijn als beheerder van het elektronisch register onderworpen aan de verplichtingen die voortvloeien uit dit besluit en de wet.

§ 5.Gelet op de persoonsgegevens die worden opgenomen in het elektronisch effectenregister, dient de beheerder van het elektronisch register de passende maatregelen te nemen om de toegang tot het register, zowel met het oog op de inschrijvingen van verrichtingen als op de raadplegingen, slechts mogelijk te maken met inachtneming van de door de wet en dit besluit aan de toegang gestelde beperkingen, via een systeem van toegangscontrole. De beheerder van het elektronische register dient daarbij alles in het werk te stellen om te verhinderen dat de in het register opgenomen gegevens toegankelijk zijn voor derden die niet toegangsgerechtigd zijn.

De beheerder van het elektronisch register dient alle noodzakelijke middelen aan te wenden om:

1°op de bewaarde gegevens uitgevoerde raadplegingen en verrichtingen, zowel de normale als de bedrieglijke, op te sporen;

2°de auteurs van deze verrichtingen te identificeren;

3°deze raadplegingen en verrichtingen te dateren;

4°de registratie van de informatie met betrekking tot deze raadplegingen en verrichtingen te bewaren gedurende de volledige bewaringsduur van de gegevens, onder meer teneinde toe te laten de verplichting bepaald in het eerste lid na te leven; Meer in het bijzonder wordt geregistreerd wie wanneer en voor welk concreet doeleinde toegang had tot welke gegevens;

5°samen te werken met de bevoegde instanties in het kader van gerechtelijke of administratieve onderzoeken of met het oog op de opsporing van eventuele anomalieën, met name in het kader van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek, of in het kader van de artikelen 315 en 317 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992.

De beheerder van het elektronisch register ziet er op toe dat deze registraties slechts toegankelijk zijn voor de bevoegde autoriteiten en voor de personen die zij aanwijzen. Hij controleert of het gebruik dat de gemachtigde personen maken van hun toegang tot het register conform is aan de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.

§ 6.Overeenkomstig artikel 32 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming dient de beheerder van het elektronisch register alle noodzakelijke middelen aan te wenden om de bewaarde gegevens te beschermen tegen elke opzettelijke of onopzettelijke aantasting of beschadiging. Hij ziet toe op de integriteit van de bewaarde gegeven en dient alle noodzakelijke middelen aan te wenden om elke ongeoorloofde toegang tot de apparatuur, de communicatiesystemen en de dragers die de bewaarde gegevens bevatten, te verhinderen.

§ 7.Overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming dient de beheerder van het elektronisch register procedures te voorzien om te kunnen reageren op incidenten en hun gevolgen te kunnen beperken.

Art. 7:13

§ 1.De beheerder van het elektronisch register zorgt voor de bewaring van de technische informatie die noodzakelijk is voor de controle van de raadplegingen en verrichtingen bedoeld in artikel 7:12, § 5, tweede en derde lid.

§ 2.De toegangscontrole bedoeld in artikel 7:12, § 5, eerste lid, omvat zowel een aspect van identificatie van de persoon, door middel van een geheel van elektronische gegevens dat aan een bepaalde persoon kan worden toegerekend, als een controle van het welbepaalde en precieze karakter van de wettelijke hoedanigheid die deze derde toelaat om toegang te krijgen en naar het relevante karakter van de gevraagde gegevens, evenals de omvang van deze toegang.

Voor de toepassing van deze bepaling dienen de in het kader van deze toegangscontrole gebruikte elektronische identificatiemiddelen te beantwoorden aan het betrouwbaarheidsniveau "hoog", overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.

De hoedanigheid van houder van een effect voor de rechtstreekse raadpleging van het register dat betrekking heeft op zijn categorie van effecten, wordt bewezen door zijn inschrijving in het register.

De hoedanigheid van lid van een bestuursorgaan voor de rechtstreekse raadpleging van het register wordt bewezen door de inschrijving als lid van dat bestuursorgaan in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Voor de rechtstreekse inschrijving van een verrichting is bijkomend een controle vereist van hun vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Andere personen die, hetzij namens de vennootschap, hetzij namens de effectenhouders of hun erfgenamen als gemachtigde optreden, ontlenen hun hoedanigheid voor de rechtstreekse raadpleging van het register en, in voorkomend geval, voor de inschrijving, aanvulling of ondertekening van het register aan deze machtiging. Hetzelfde geldt voor de tussenpersonen die, in voorkomend geval, worden gemachtigd indien de vennootschap beroep doet op een vertrouwensderde voor de bewaring en het beheer van het register. De beheerder neemt de gepaste maatregelen om het bewijs van deze hoedanigheid te bepalen en te controleren, zowel voor wat de rechtstreekse raadpleging als voor wat de rechtstreekse inschrijving van een verrichting betreft.

Art. 7:14

§ 1.De vennootschap wordt met betrekking tot deze gegevens beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking als bedoeld in artikel 4.7 van Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG. De vertrouwensderde wordt beschouwd als verwerker als bedoeld in artikel 4.8 van dezelfde verordening.

§ 2.Onverminderd andersluidende wettelijke en reglementaire bepalingen, moet hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel 7:13 bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, met inbegrip van de personen die belast zijn met het technisch beheer van het elektronisch systeem, het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen.

Art. 7:15

In geval van stopzetting van het elektronisch register om welke reden dan ook, met inbegrip van de sluiting van de vereffening van de vennootschap, dient het bestuursorgaan of, in voorkomend geval, de vereffenaar, een volledige print van het elektronisch register op papier te bewaren op de zetel van de vennootschap of, in geval van vereffening, op de plaats waar de boeken en bescheiden van de vennootschap worden neergelegd en gedurende de in artikel 2:102 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde termijn moeten worden bewaard. Deze geprinte versie vermeldt de datum van de print en wordt ondertekend door het bestuurs- of vertegenwoordigingsorgaan of, in voorkomend geval, de vereffenaar. Wanneer de stopzetting het gevolg is van een besluit van het bestuursorgaan wordt deze print gehecht aan de notulen van dat besluit.