Het hof van beroep neemt kennis van het hoger beroep:
1°tegen beslissingen in eerste aanleg gewezen door de rechtbanken van eerste aanleg en door de ondernemingsrechtbanken;
2°tegen uitspraken in eerste aanleg gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank;
3°tegen beslissingen van het prijsgerecht;
4°tegen beslissingen gegeven door Belgische consuls in het buitenland;
5°tegen beslissingen inzake verkiezingen gegeven door het college van burgemeester en schepenen en door de hoofdbureaus;
6°tegen beslissingen waarbij het verzoek om een Europees bevel tot conservatoir beslag geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken;
7°tegen beslissingen gegeven op grond van de artikelen 33, 34 of 35 van dezelfde Verordening (EU);
8°tegen beslissingen die de fysieke verschijning op de zitting of de fysieke deelname eraan verbieden, als bedoeld in artikel 763sexies, § 3, eerste lid, genomen door de rechtbank van eerste aanleg die uitspraak doet in hoger beroep.
In de gevallen van 3° en 4° is alleen het hof van beroep te Brussel bevoegd.
In de in het eerste lid, 6°, bedoelde gevallen verwijst het hof van beroep dat de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk hervormt, de zaak terug naar het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen, teneinde de eiser een Europees bevel tot conservatoir beslag te laten verlenen. Het gerecht waarnaar de zaak aldus wordt verwezen, is gebonden door de beslissing van het hof dat de zaak heeft verwezen.