Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL II Rechterlijke organisatie (art. 58–555/16) › BOEK II - GERECHTELIJKE AMBTEN. › TITEL II - Uitoefening van gerechtelijke ambten. › HOOFDSTUK IV Afwezigheden en verloven van magistraten

Afdeling IV Moederschapsbescherming

331/14–331/24

Art. 331/14

Het moederschapsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

Art. 331/15

Wanneer de magistrate het prenataal verlof heeft opgebruikt en de bevalling na de voorziene datum plaatsvindt, wordt het prenataal verlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Tijdens deze periode bevindt de magistrate zich in moederschapsverlof.

Art. 331/16

Op verzoek van de magistrate wordt het moederschapsverlof, met toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder haar ambt heeft uitgeoefend vanaf de zesde week voor de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop het ambt werd uitgeoefend tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.

Worden gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden:

1°het jaarlijks vakantieverlof;

2°de in artikel 331/10 bedoelde feestdagen;

3°de in de artikelen 331/12 en 331/13 bedoelde verloven;

4°de afwezigheden wegens ziekte.

Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de magistrate de periode van ambtsonderbreking na de negende week, verlengd met een periode van maximaal twee weken.

Art. 331/17

Overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971, kunnen de laatste twee weken van de postnatale rustperiode op verzoek van de magistrate worden omgezet in verlofdagen van postnatale rust, wanneer zij de ambtsonderbreking na de negende week met ten minste twee weken kan verlengen.

Ten laatste vier weken voor het einde van de verplichte periode van postnatale rust, brengt de magistrate de korpschef schriftelijk op de hoogte van de omzetting en de planning bedoeld in artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971.

Overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971, moeten de verlofdagen van postnatale rust worden opgenomen binnen acht weken te rekenen vanaf het einde van de ononderbroken periode van postnatale rust.

De verlofdagen van postnatale rust worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.

Art. 331/18

De zwangere magistrate kan niet verplicht worden wachtdiensten te presteren gedurende een periode van acht weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling.

Art. 331/19

De magistrate die in dienstactiviteit is, bekomt op haar verzoek het nodig verlof om haar in staat te stellen naar prenatale medische onderzoeken, die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden, te gaan en deze te ondergaan.

De aanvraag van de magistrate moet worden gestaafd met een medisch attest of een attest van de inrichting waar de onderzoeken worden verricht.

Het verlof is met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

Art. 331/20

Artikel 331/14 is niet van toepassing in geval van miskraam voor de 181e dag van de zwangerschap.

Art. 331/21

§ 1.Als de moeder van het kind overlijdt of in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de magistraat die meeouder is van het kind op eigen verzoek een meeouderschapsverlof om in de opvang van het kind te voorzien.

§ 2.In geval van overlijden van de moeder is de duur van het meeouderschapsverlof ten hoogste gelijk aan de duur van het moederschapsverlof dat de moeder nog niet opgebruikt had. De magistraat die meeouder van het kind is en die het meeouderschapsverlof wenst te genieten, stelt daar schriftelijk de korpschef van op de hoogte binnen zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. De brief waarin hij dat doet, vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het meeouderschapsverlof. Hij legt zo spoedig mogelijk een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder voor.

§ 3.In geval van hospitalisatie van de moeder kan de magistraat die meeouder van het kind is een meeouderschapsverlof krijgen onder de volgende voorwaarden:

1°de pasgeborene moet het ziekenhuis verlaten hebben;

2°de hospitalisatie van de moeder moet langer dan zeven dagen duren.

Het meeouderschapsverlof kan niet aanvangen vóór de zevende dag volgend op de dag van de geboorte van het kind en wordt beëindigd op het ogenblik dat de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het gedeelte van het moederschapsverlof dat door de moeder nog niet was opgebruikt.

De magistraat die de meeouder van het kind is en die het meeouderschapsverlof wenst te genieten, stelt de korpschef daarvan schriftelijk op de hoogte. De brief waarin hij dat doet, vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof. De verlofaanvraag wordt gestaafd met een getuigschrift dat de duur van de hospitalisatie van de moeder vermeldt bovenop de zeven dagen volgend op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.

§ 4.Het meeouderschapsverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Art. 331/22

Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de magistrate de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de magistrate aan de korpschef:

1°bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;

2°in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.

Art. 331/23

§ 1.De magistrate heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven tot negen maanden na de geboorte van het kind.

§ 2.De borstvoedingspauze duurt een half uur. De magistrate die tijdens een werkdag vier uur of langer haar ambt uitoefent, heeft die dag recht op een pauze. De magistrate die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur haar ambt uitoefent, heeft die dag recht op twee pauzes. Als de magistrate recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze opnemen in één keer of twee keer tijdens die dag.

De magistrate bepaalt in overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst welk(e) moment(en) van de dag zij de borstvoedingspauze(s) kan nemen.

§ 3.De magistrate die wenst de borstvoedingspauzes te genieten, brengt schriftelijk twee weken op voorhand de korpschef hiervan op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de magistrate een kortere termijn aanvaardt.

Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes, naar keuze van de magistraat, geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen behorend tot Kind en Gezin, tot het Office de la Naissance et de l'Enfance of tot de Dienst für Kind und Familie of door een medisch getuigschrift.

Nadien bezorgt de magistrate aan de korpschef elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan.

Art. 331/24

De zwangere magistrate die meent dat zij tijdens de uitoefening van haar ambt aan een risico wordt blootgesteld, kan de korpschef om een aanpassing van de werkomstandigheden verzoeken.

De korpschef willigt dit verzoek in op voorlegging van een attest van de behandelende geneesheer.