Het omstandigheidsverlof wordt toegekend binnen de perken zoals hierna bepaald:
1°huwelijk van de magistraat: vier werkdagen;
2°de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs de zijde van de magistraat vaststaat. Bij ontstentenis van een persoon die dit verlof opneemt op grond van de afstamming met het kind heeft de magistraat die samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats met de moeder van het kind recht op het verlof. Het recht op moederschapsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, sluit voor eenzelfde ouder het recht op het omstandigheidsverlof bij de geboorte uit. Het verlof bedraagt twintig werkdagen;
3°overlijden van de echtgeno(o)t(e) van de magistraat, overlijden van het natuurlijk kind of het adoptiekind van de magistraat, of van diens echtgeno(o)t(e): tien werkdagen, waarbij drie werkdagen door de magistraat te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en zeven werkdagen door de magistraat te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze verlofdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de magistraat mits een akkoord van de korpschef;
4°overlijden van de ouder, schoonouder, stiefouder, schoondochter, schoonzoon van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): vier werkdagen waarbij drie werkdagen door de magistraat te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en één werkdag door de magistraat te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze werkdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de magistraat mits een akkoord van de korpschef;
5°huwelijk van een kind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): twee werkdagen;
6°het huwelijk van een broer, een zuster, een schoonbroer, een schoonzuster, de ouder, de schoonouder, de stiefouder, een kleinkind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): een werkdag;
7°overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) maar onder hetzelfde dak wonend als de magistraat: twee werkdagen;
8°overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede of in de derde graad van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) maar niet onder hetzelfde dak wonend als de magistraat: een werkdag;
9°overlijden van een pleegkind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden: een werkdag;
10°priesterwijding of intreden in het klooster of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): een werkdag;
11°plechtige communie of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): een werkdag;
12°deelneming van een kind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) aan het feest van de "vrijzinnige jeugd": een werkdag;
13°oproeping als getuige voor een rechtscollege of persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege: voor de nodige duur.
De banden die ontstaan ingevolge een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg worden, voor de toepassing van het eerste lid, 3° en 4°, gelijkgesteld met de door die bepalingen geviseerde familiebanden, op voorwaarde dat het overlijden zich voordoet, hetzij tijdens een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg, hetzij na afloop van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg. In dat verband wordt het pleegkind gelijkgesteld met het kind, de pleegmoeder met de moeder, de pleegvader met de vader, en zo verder.
De banden die ontstaan ingevolge een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg worden, voor de toepassing van het eerste lid, 5°, 6°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°, gelijkgesteld met de door die bepalingen geviseerde familiebanden, op voorwaarde dat de gebeurtenis zich voordoet, hetzij tijdens een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg, hetzij na afloop van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg waarbij het pleegkind gedurende een onafgebroken periode van drie jaar op permanente en affectieve wijze deel heeft uitgemaakt van het pleeggezin. In dat verband wordt het pleegkind gelijkgesteld met het kind, de pleegmoeder met de moeder, de pleegvader met de vader, en zo verder.
De verloven worden vastgelegd in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
Deze verloven worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
14°zwangerschapsverlies van de magistrate die zwanger was en de zwangerschap heeft gemeld aan haar korpschef en zwangerschapsverlies van de echtgenote van de magistraat die zwanger was: twee werkdagen volgend op het zwangerschapsverlies als de magistrate of de magistraat het heeft gemeld aan haar of zijn korpschef. Onder zwangerschapsverlies wordt verstaan voor de toepassing van deze bepaling, alle vormen van zwangerschapsverlies, zowel medisch als spontaan ingeleid, vanaf het ogenblik dat het verlies zich voordoet, vanaf het begin van de zwangerschap tot en met 180 dagen zwangerschap, zonder dat de magistrate of de magistraat een attest moet voorleggen.