Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL II Rechterlijke organisatie (art. 58–555/16) › BOEK II - GERECHTELIJKE AMBTEN. › TITEL II - Uitoefening van gerechtelijke ambten. › HOOFDSTUK IV Afwezigheden en verloven van magistraten

Afdeling V Ouderschapsverlof

331/25–331/26

Art. 331/25

§ 1.Aan de magistraat wordt, bij de geboorte of de adoptie van zijn kind een ouderschapsverlof toegekend dat kan genomen worden:

-hetzij gedurende een periode van vier maanden als voltijds verlof; op vraag van de magistraat kan deze periode worden opgesplitst in maanden;

-hetzij gedurende een periode van acht maanden als halftijds verlof; op vraag van de magistraat kan deze periode worden opgesplitst in periodes van twee maanden of een veelvoud hiervan;

-hetzij gedurende een periode van twintig maanden als verlof van één vijfde; op vraag van de magistraat kan deze periode worden opgesplitst in periodes van vijf maanden of een veelvoud hiervan;

-hetzij gedurende een periode van veertig maanden als verlof van één tiende; op vraag van de magistraat kan deze periode worden opgesplitst in periodes van tien maanden of een veelvoud hiervan.

De magistraat heeft de mogelijkheid om bij het opnemen van zijn ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende modaliteiten vermeld in het eerste lid. Bij een wijziging van opnamevorm moet rekening worden gehouden met het principe dat een maand voltijds verlof gelijk is aan twee maanden halftijds verlof, gelijk is aan vijf maanden verlof van één vijfde en gelijk is aan tien maanden verlof van één tiende.

§ 2.De magistraat heeft recht op ouderschapsverlof:

-naar aanleiding van de geboorte van zijn kind tot het kind twaalf jaar wordt;

-in het kader van de adoptie van een kind gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de magistraat zijn verblijfplaats heeft, tot het kind twaalf jaar wordt.

§ 3.Wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft, die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag, is er geen leeftijdsgrens.

§ 4.Aan de voorwaarde van de twaalfde verjaardag moet voldaan zijn uiterlijk gedurende de periode van het ouderschapsverlof.

§ 5.Het in dit artikel beoogde ouderschapsverlof wordt niet bezoldigd; voor het overige wordt het gelijkgesteld aan een periode van dienstactiviteit.

§ 6.De magistraat die een ouderschapsverlof geniet in toepassing van dit artikel, ontvangt maandelijks van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de uitkering die wordt toegekend aan de personeelsleden van het openbaar ambt.

De Koning bepaalt de nadere voorwaarden en regels tot toekenning van deze uitkering.

Art. 331/26

De magistraat die een ouderschapsverlof met toepassing van artikel 331/25 wenst te genieten, deelt aan de korpschef de datum mee waarop hij wenst dat het verlof zal aanvangen en de duur ervan.

Die mededeling gebeurt schriftelijk en minstens twee maanden vóór de aanvang van het verlof, tenzij de korpschef op verzoek van de magistraat een kortere termijn aanvaardt. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken magistraat vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend.

Het verlof wordt vastgelegd in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.