<Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding: 01-07-2014>
DEEL II Rechterlijke organisatie (art. 58–555/16) › TITEL VI - (Benoemingsvoorwaarden en loopbaan van magistraten en het gerechtspersoneel).
HOOFDSTUK X
285bis–287quater
Art. 286
<Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding: 01-07-2014>
Art. 286bis
<Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding: 01-07-2014>
Art. 287
§ 1.Alle personeelsleden van niveau A, B, C en D zijn onderworpen aan een evaluatiecyclus.
Wat de hoofdgriffiers en de hoofdsecretarissen betreft, is de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, de evaluator. Wat de andere personeelsleden betreft, is de evaluator de hiërarchische meerdere van het personeelslid of de functionele chef aan wie de hiërarchische meerdere de evaluatietaak heeft gedelegeerd.
De hiërarchische meerdere is de magistraat die of het vastbenoemd personeelslid dat de verantwoordelijkheid over een dienst of over een team heeft en dat dientengevolge rechtstreeks gezag uitoefent over de personeelsleden van die dienst of van dat team. De functionele chef is de magistraat die of het vastbenoemd of contractueel personeelslid dat, onder de verantwoordelijkheid van de hiërarchische meerdere van een personeelslid, een rechtstreekse gezagsrelatie heeft ten aanzien van laatstgenoemde bij het dagelijks uitoefenen van zijn ambt.
§ 2.De evaluatie is gebaseerd op de volgende elementen:
1°het bereiken van de prestatiedoelstellingen vastgelegd tijdens het evaluatiecyclusgesprek en in voorkomend geval aangepast gedurende de evaluatie, met name tijdens de functioneringsgesprekken;
2°de ontwikkeling van de competenties van het personeelslid die nuttig zijn voor zijn functie.
De evaluatie biedt de mogelijkheid om na te denken over de ontwikkeling van het personeelslid op verschillende sleutelmomenten in zijn loopbaan, met name wanneer hij zich geconfronteerd ziet met een wens of mogelijkheid tot evolutie, loopbaanontwikkeling of beroepsheroriëntering.
De door het personeelslid uitgedrukte wens of mogelijkheid tot evolutie, loopbaanontwikkeling of beroepsheroriëntering kunnen niet als basis gebruikt worden voor de balans die tijdens het evaluatiecyclusgesprek of enig ander gesprek wordt gemaakt.
Art. 287bis
§ 1.De evaluatiecyclus van een personeelslid dat geen stagiair is duurt twaalf maanden.
De evaluatiecycli volgen elkaar automatisch op behoudens uitzonderingen bepaald door de Koning.
§ 2.Op het einde van de evaluatiecyclus nodigt de evaluator het personeelslid uit voor een evaluatiecyclusgesprek. Een evaluatiecyclusgesprek vindt plaats op het einde van de evaluatiecyclus tussen de evaluator en het personeelslid.
Het evaluatiecyclusgesprek omvat twee luiken:
1°het bepalen van de doelstellingen bedoeld in artikel 287, § 2, 1°, die aan het personeelslid moeten worden toegewezen, de zogenaamde planning;
2°het evalueren van het personeelslid met betrekking tot de doelstellingen die voor hem zijn bepaald in toepassing van artikel 287, § 2, 1°, de zogenaamde balans.
Onverminderd het tweede lid, 1°, worden de evaluator en het personeelslid het aan het begin van de evaluatiecyclus en voor de planning eens over de functiebeschrijving wanneer het personeelslid vastbenoemd is, in dienst wordt genomen, van functie verandert, wanneer de remediëring wordt afgesloten of nadat de vermelding "onvoldoende" is toegekend. De functiebeschrijving wordt aangepast na belangrijke veranderingen van de functie. De Koning bepaalt de wijze waarop de functiebeschrijving van het personeelslid wordt vastgesteld indien de evaluator en het personeelslid geen overeenstemming kunnen bereiken.
De evaluator en het personeelslid worden, op basis van de functiebeschrijving en in voorkomend geval de aangepaste functiebeschrijving, het eens over de prestatiedoelstellingen en de persoonlijke ontwikkelingsdoelstellingen. De Koning bepaalt de wijze waarop de prestatiedoelstellingen en de persoonlijke ontwikkelingsdoelstellingen van het personeelslid worden vastgesteld indien de evaluator en het personeelslid geen overeenstemming kunnen bereiken.
§ 3.Het bereiken van de doelstellingen bedoeld in paragraaf 2, 1° leidt tot de activering van de volgende evaluatiecyclus van het personeelslid.
§ 4.Het niet bereiken van de doelstellingen bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, leidt hetzij:
1°tot de remediëring;
2°tot de toekenning van de vermelding "onvoldoende".
§ 5.Telkens het nodig is en onverminderd elk informeel gesprek wordt er tijdens de evaluatiecyclus een functioneringsgesprek georganiseerd op vraag van de evaluator of het personeelslid.
Tijdens het functioneringsgesprek kunnen met name aan bod komen:
1°oplossingen voor knelpunten in verband met het functioneren van het personeelslid;
2°oplossingen voor knelpunten die het bereiken van de afgesproken doelstellingen bemoeilijken; deze knelpunten kunnen zowel betrekking hebben op de organisatie en de werking van de dienst en de begeleiding door de evaluator als op externe factoren;
3°de ontwikkeling van het personeelslid binnen zijn huidige functie;
4°de loopbaanperspectieven en verwachtingen van het personeelslid en de ontwikkeling van competenties die hiervoor wenselijk zijn.
Indien het functioneringsgesprek op initiatief van de evaluator wordt georganiseerd kan dit gesprek leiden tot:
1°de remediëring;
2°de toekenning van de vermelding "onvoldoende".
§ 6.De remediëring is een begeleiding "op maat" van het personeelslid bij de ontwikkeling van zijn loopbaan.
Remediëring komt tegemoet aan de behoeften die de hiërarchische meerdere in de situatie van het personeelslid naargelang het geval vaststelt, naar aanleiding van:
1°het niet bereiken van vastgestelde prestatiedoelstellingen;
2°de noodzaak om beroepscompetenties te ontwikkelen met het oog op loopbaanontwikkeling of een heroriëntering om de inzetbaarheid van het personeelslid te vergroten.
De remediëring heeft als doel om snel specifieke begeleidingsmaatregelen ter beschikking te stellen van het personeelslid.
Behoudens uitzonderingen bepaald door de Koning duurt de remediëring minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden met een minimum van zestig door het personeelslid gepresteerde dagen.
De Koning bepaalt in welke gevallen de remediëring verplicht is.
§ 7.De vermelding "onvoldoende" wordt toegekend aan het personeelslid dat manifest ondermaats functioneert in vergelijking met het verwachte niveau en dat, zonder dat dit cumulatief is:
1°minder dan 50 % van zijn prestatiedoelstellingen heeft gerealiseerd;
2°de competenties die noodzakelijk zijn om zijn functie uit te oefenen niet heeft ontwikkeld en deze functie niet langer op een bevredigende wijze kan uitoefenen, terwijl het die doelstelling kreeg toegewezen tijdens het evaluatiecyclusgesprek.
§ 8.Het personeelslid kan binnen twintig werkdagen na de notificatie van de eindvermelding een beroep instellen tegen de vermelding "onvoldoende" die hem toegekend is. Het beroep werkt opschortend.
Wanneer de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 287quater heeft voorgesteld om de vermelding "onvoldoende" niet te behouden, beslist de minister van Justitie of zijn gemachtigde om:
1°ofwel het advies van de evaluatiecommissie te volgen;
2°ofwel, indien de evaluatiecommissie geen eenparig advies uitbrengt, de vermelding "onvoldoende" te bevestigen.
Indien de evaluatiecommissie heeft voorgesteld om de vermelding "onvoldoende" te behouden, wordt deze definitief.
§ 9.Als er binnen vier jaar na de toekenning van de eerste vermelding "onvoldoende" een tweede vermelding "onvoldoende" wordt gegeven, zelfs als ze niet opeenvolgend zijn, leidt dit tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid van het personeelslid. De periode van vier jaar wordt in voorkomend geval verlengd totdat die tweehonderdveertig gewerkte dagen telt.
Aan het wegens beroepsongeschiktheid ontslagen vastbenoemd personeelslid wordt een ontslagvergoeding toegekend in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als deze die aan het personeel van de federale overheidsdiensten wordt toegekend.
§ 10.Paragraaf 9 is niet van toepassing wanneer de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend in het kader van de uitoefening van een hogere functie.
Deze vermelding stelt ambtshalve een einde aan de aanwijzing in een hogere functie.
In de functie of het niveau waarin het personeelslid benoemd is of via arbeidsovereenkomst werd aangeworven, wordt de evaluatiecyclus afgesloten overeenkomstig paragraaf 3.
§ 10/1.Het individuele evaluatiedossier omvat:
1°een identificatiefiche met identiteitsgegevens, graad, klasse en aanwijzing;
2°de functiebeschrijving;
3°de overeengekomen prestatie- en ontwikkelings- doelstellingen voor de verschillende evaluatiecycli;
4°de verslagen van de eventuele functionerings- gesprekken;
5°de eventuele verzoeken voor een functioneringsgesprek die niet zijn uitgemond in een gesprek;
6°de door het personeelslid op zijn verzoek toegevoegde documenten;
7°in voorkomend geval, de schriftelijke aanmerkingen en opmerkingen van het personeelslid gemaakt als reactie op het evaluatiecyclusverslag en op het verslag van het functioneringsgesprek georganiseerd op initiatief van de evaluator;
8°de evaluatiecyclusverslagen, en in voorkomend geval, de verslagen van de functioneringsgesprekken;
9°in voorkomend geval, de beroepsdossiers bestaande uit de beroepen, de adviezen van de evaluatiecommissie en de beslissingen van de minister bevoegd voor Justitie;
10°in voorkomend geval, de remediëringsovereenkomst, de documenten met de conclusies van de minister bevoegd voor Justitie of zijn afgevaardigde over de remediëring;
11°in voorkomend geval, het evaluatiedossier van de stagiair;
12°in voorkomend geval, de dossiers, voorstellen of beslissingen van de evaluatiecommissie.
§ 10/2.Het individueel evaluatiedossier staat ter beschikking van het personeelslid, van zijn evaluator, van de hiërarchische lijn tot de magistraat-korpschef, van de stafdienst Personeel en Organisatie van de Federale Overheidsdienst Justitie en van de minister van Justitie.
In geval van mobiliteit bedoeld in artikel 330quater, § 2, van mutatie of van nieuwe affectatie in een andere afdeling van de rechtsmacht voor een duurtijd van langer dan zes maanden, wordt het individuele evaluatiedossier aan de nieuwe dienst bezorgd.
Het individueel evaluatiedossier van het personeelslid wordt bij zijn individueel dossier gevoegd, dat ten minste tien jaar wordt bewaard na de datum waarop het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. De termijn voor het bewaren van het individueel evaluatiedossier is gelijk aan die van het individueel dossier.
§ 11.De Koning stelt de nadere regels vast voor de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de evaluatieprocedure, de duurtijd ervan, de remediëring en de bedoelde personen.
Art. 287ter
§ 1.De stage duurt een jaar. Ze begint op de datum van de eedaflegging.
De stage omvat ten minste:
1°een stageplanningsgesprek;
2°drie functioneringsgesprekken, die evenwichtig worden verspreid over de hele evaluatieperiode;
3°een stage-evaluatiegesprek op het einde van de stage.
§ 2.Naar aanleiding van een verplicht functioneringsgesprek kan een vermelding "onvoldoende" door de hiërarchische meerdere toegekend worden op basis van artikel 287bis, § 7, bedoelde criteria.
Behoudens uitdrukkelijk akkoord tussen de evaluator, de stagiair en de magistraat-korpschef leidt de vermelding "onvoldoende" tot de aanhangigmaking bij de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 287quater.
Naar gelang het geval:
1°beslist de evaluatiecommissie of de stage mag worden voortgezet;
2°legt de evaluatiecommissie een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken.
§ 3.Op het einde van de stage nodigt de evaluator de stagiair uit voor een stage-evaluatiegesprek. De vermelding "onvoldoende" kan door de hiërarchische meerdere worden toegekend op basis van de in artikel 287bis, § 7, bedoelde criteria. De vermelding "onvoldoende" leidt tot de aanhangigmaking bij de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 287quater.
Naar gelang het geval:
1°legt de evaluatiecommissie een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken;
2°beslist de evaluatiecommissie of de stage moet worden verlengd;
3°legt de evaluatiecommissie een met redenen omkleed benoemingsvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken. In dat geval wordt de stageperiode beschouwd als gunstig voor de benoeming.
§ 4.Na afloop van de stage die werd verlengd overeenkomstig paragraaf 3, tweede lid, 2°, maakt de magistraat-korpschef aan de evaluatiecommissie het evaluatiedossier over van de stagiair aan wie de evaluatievermelding of "onvoldoende" werd toegekend.
Naar gelang het geval:
1°legt de evaluatiecommissie een met redenen omkleed benoemingsvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken. In dat geval wordt de stageperiode beschouwd als gunstig voor de benoeming;
2°legt de evaluatiecommissie een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken.
§ 5.De Koning stelt de nadere regels vast voor de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de stage-evaluatieprocedure, de duurtijd ervan, en de bedoelde personen.
Art. 287ter/1
§ 1.In afwijking van artikel 287ter, wordt elke houder van een functie van hoofdgriffier of hoofdsecretaris, bedoeld in artikel 160, § 8, vierde lid, tijdens zijn mandaat jaarlijks geëvalueerd door de korpschef, bedoeld in artikel 58bis, 2°. De eerste vier cycli worden met een tussentijdse evaluatie afgesloten. De laatste cyclus eindigt zes maanden voor het verstrijken van het mandaat en wordt met een eindevaluatie afgesloten.
§ 2.De mandaathouder wordt geëvalueerd op de wijze waarop de dienst die hij leidt heeft bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen bepaald in het beheersplan, bedoeld in artikel 185/6, rekening houdend met de resultaatgebieden die in zijn functieprofiel nader worden bepaald.
Hij wordt bovendien geëvalueerd op de wijze waarop hij zijn taak van evaluator heeft vervuld. De controle op deze taak wordt uitgevoerd volgens de regels die van toepassing zijn op de hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen die geen mandaathouder zijn.
In voorkomend geval wordt geen rekening gehouden met de doelstellingen waarvan het niet bereiken geenszins aan de geëvalueerde kan worden toegeschreven. In ieder geval houdt de evaluatie van de eigen bijdrage van de geëvalueerde rekening met wat redelijkerwijze van hem kan worden verwacht.
§ 3.Op het einde van elke evaluatiecyclus nodigt de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, de mandaathouder uit voor een evaluatiegesprek. Als voorbereiding op dit gesprek maakt de te evalueren persoon een zelfevaluatie op die hij twintig kalenderdagen vóór het gesprek doorstuurt naar de evaluator. Die schriftelijke zelfevaluatie wordt bij het evaluatiedossier gevoegd.
Een personeelslid belast met personeelsaangelegenheden kan dit gesprek als secretaris bijwonen.
In ieder geval heeft de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, een functioneringsgesprek met de te evalueren mandaathouder met het oog op zijn evaluatie.
§ 4.Na het evaluatiegesprek werkt de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, het evaluatieverslag af dat binnen twintig kalenderdagen na het evaluatiegesprek tegen ontvangstbewijs aan de geëvalueerde wordt bezorgd.
....
De houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris wiens tussentijdse evaluatie resulteert in de vermelding "onvoldoende"... kan, per aangetekende zending, beroep instellen bij de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 287quater, binnen vijftien kalenderdagen na de betekening van het evaluatieverslag.
Het beroep is opschortend. In voorkomend geval wordt het mandaat verlengd tot het einde van de beroepsprocedure bedoeld in artikel 287quater.
§ 5....
De evaluatie van de mandaathouder wordt afgesloten met de vermelding "onvoldoende" als eruit blijkt dat de doelstellingen voor de dienst die hij leidt, omschreven in het beheersplan bedoeld in artikel 185/6, en in het bijzonder in de resultaatgebieden die in het functieprofiel van de functiehouder nader worden bepaald, klaarblijkelijk niet zijn verwezenlijkt tijdens de geëvalueerde periode.
...
§ 6.De eindevaluatie van de houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in artikel 160, § 8, vierde lid, wordt gestaafd met de evaluatieverslagen betreffende de verstreken periodes voor de tussentijdse evaluaties en de totale periode van het mandaat.
§ 7.Indien een tussentijdse of de eindevaluatie van een houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in artikel 160, § 8, vierde lid, leiden tot een vermelding "onvoldoende", komt aan zijn aanwijzing een einde op de eerste dag van de maand die volgt op de definitieve toekenning van de vermelding.
De betrokkene wordt ter beschikking van zijn dienst van oorsprong gesteld.
§ 8.Behoudens wanneer de evaluatie van een houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in artikel 160, § 8, vierde lid, leidt tot een vermelding "onvoldoende", wordt het mandaat van rechtswege verlengd met een nieuwe periode van vijf jaar.
§ 9.Het evaluatiedossier van de houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in artikel 160, § 8, vierde lid, bestaat uit de volgende elementen:
1°een identificatiefiche met de persoonlijke gegevens en het aanstellingsbesluit;
2°een gevalideerde functiebeschrijving;
3°het beheersplan bedoeld in artikel 185/6;
4°in voorkomend geval, de verslagen over de functioneringsgesprekken en/of ieder ander document dat inzicht verschaft in de afspraken, de schikkingen en de aanpassingen aan de te bereiken doelstellingen, die tussen de geëvalueerde mandaathouder en zijn evaluator werden getroffen;
5°de zelfevaluatie van de mandaathouder;
6°de evaluatieverslagen;
7°eventueel dossier van het ingestelde beroep.
De geëvalueerde kan documenten laten opnemen in zijn evaluatiedossier.
Het evaluatiedossier wordt bewaard bij de korpschef bedoeld in artikel 58bis.
Het individuele evaluatiedossier is toegankelijk voor de geëvalueerde, voor zijn evaluator en voor de minister van Justitie of zijn gemachtigde.
Art. 287quater
§ 1.Er wordt een evaluatiecommissie opgericht die bevoegd is voor de beroepen inzake evaluatie en de stage.
De zetel van deze evaluatiecommissie is gevestigd te Brussel.
De evaluatiecommissie bestaat uit een Nederlandstalige afdeling en een Franstalige afdeling. De taalrol van het personeelslid bepaalt voor welke afdeling hij dient te verschijnen.
Het Duitstalige personeelslid verschijnt voor de afdeling voorgezeten door de... voorzitter die zijn kennis van het Duits bewijst.
De evaluatiecommissie stelt haar huishoudelijk reglement op.
...
§ 2.De evaluatiecommissie is per afdeling samengesteld uit zes leden:
1°een voorzitter aangewezen door de minister van Justitie en hernomen op een door hem vastgestelde lijst;
2°vijf leden hernomen op een lijst vastgesteld door de minister van Justitie, waarvan twee aangewezen door hem en drie aangewezen door de representatieve vakorganisaties, naar rato van één per organisatie.
De Nederlandstalige voorzitter zit de Nederlandstalige afdeling voor. De Franstalige voorzitter zit de Franstalige afdeling voor. De voorzitter die kennis van het Duits bewijst, zit, voor de dossiers van de personeelsleden van het Duitse taalstelsel, de Nederlandstalige of Franstalige afdeling voor naar gelang hij de Nederlandse of de Franse taal beheerst.
Voor de samenstelling van de evaluatiecommissie, en voor elk dossier, worden de leden aangewezen onder de personen aangewezen overeenkomstig paragraaf 3.
§ 3.Voor de toepassing van paragraaf 2 legt de minister van Justitie per afdeling een lijst vast van:
a)drie voorzitters, gekozen uit de magistratuur of de personeelsleden benoemd of aangewezen in een mandaat van de klasse A3, A4 of A5. Een van de voorzitters moet de kennis van het Duits bewijzen;
b)acht leden, van wie er:
-drie worden voorgedragen door het College van de hoven en rechtbanken;
-drie worden voorgedragen door het College van het openbaar ministerie;
-twee worden voorgedragen door het directiecomité van het Hof van Cassatie.
§ 4.De representatieve vakorganisaties wijzen per afdeling hun vertegenwoordigers aan, naar rato van drie per organisatie, van wie er ten minste een kennis van het Duits moet bewijzen.
De minister van Justitie erkent de leden aangewezen door de representatieve vakorganisaties en neemt deze leden op in de in paragraaf 2 bedoelde lijst.
§ 5.De Koning stelt de nadere regels vast voor de organisatie en de werking van de evaluatiecommissie.