Alle wetboeken › BW

BOEK 4 Nalatenschappen, schenkingen en testamenten › Titel 2 Schenkingen, testamenten en erfovereenkomsten

Hoofdstuk 2 Inkorting

4.150–4.157

Art. 4.150

Inkorting in principe in waarde

De giften die het beschikbaar deel overschrijden, kunnen na het openvallen van de nalatenschap tot dat beschikbaar deel ingekort worden.

Niettegenstaande elk andersluidend beding, en behoudens voor de in artikel 4.147, § 2, bedoelde reserve, geschiedt de inkorting enkel in waarde. Zij kan evenwel in natura geschieden op vraag van de begiftigde.

De giften die enkel voor het vruchtgebruik moeten worden ingekort maar die betrekking hebben op andere goederen dan die welke worden bedoeld in artikel 4.147, § 2, worden eveneens ingekort in waarde. De vergoeding voor de inkorting is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van dit vruchtgebruik op de dag van het overlijden; ze wordt berekend door de bepaling van artikel 4.64 naar analogie toe te passen.

In afwijking van het tweede lid geschiedt de inkorting in volle of blote eigendom van legaten in natura wanneer de begiftigde geen erfgenaam is.

Art. 4.151

Recht om de inkorting te vorderen

Inkorting van giften kan alleen gevorderd worden door hen aan wie de wet een reserve toekent, door hun erfgenamen of door hun rechtverkrijgenden.

De begiftigden, de legatarissen en de schuldeisers van de erflater kunnen deze inkorting niet vorderen, noch er voordeel van genieten.

Art. 4.152

Afstand van de vordering tot inkorting

§ 1.De inkorting van schenkingen kan niet worden gevraagd door de reservataire erfgenamen die afstand hebben gedaan van de vordering tot inkorting van de desbetreffende schenking, door middel van een eenzijdige verklaring, in de schenkingsakte of naderhand. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van overeenkomstige toepassing op deze afstand.

De erfgenamen die afstand hebben gedaan van de vordering tot inkorting kunnen geen voordeel meer genieten van de inkorting die door anderen zou worden gevraagd.

§ 2.Niettegenstaande de afstand van de vordering tot inkorting bedoeld in paragraaf 1, wordt de waarde van de goederen die het voorwerp uitmaken van de schenking opgenomen in de rekenboedel bedoeld in artikel 4.153.

De afstand van de vordering tot inkorting kan niet tot gevolg hebben dat de andere giften een grotere inkorting zouden ondergaan dan de inkorting die zij zouden hebben ondergaan bij afwezigheid van dergelijke afstand.

§ 3.De afstand van de vordering tot inkorting heeft, in voorkomend geval, geen gevolgen voor de verplichting tot inbreng van de schenking.

Art. 4.153

Rekenboedel ter berekening van het beschikbaar deel

Om de inkorting te bepalen, vormt men een rekenboedel uit alle goederen die bij het overlijden van de erflater aanwezig waren. Na aftrek van de schulden, worden de goederen waarover hij bij schenking heeft beschikt, fictief daarbij gevoegd volgens hun staat en hun waarde zoals bepaald in artikel 4.90, §§ 2 tot 9. Over al die goederen berekent men het deel waarover hij heeft mogen beschikken, met inachtneming van de hoedanigheid van de door hem achtergelaten erfgenamen.

Art. 4.154

Aanrekening van de giften

De giften toegekend door de erflater worden aangerekend, naar gelang het geval, op de globale reserve van de reservataire erfgenamen of op het beschikbaar deel, in de volgorde waarin ze zijn toegekend, te beginnen met de oudste. De legaten worden aangerekend op de dag van het openvallen van de nalatenschap.

De in te brengen giften die aan een reservataire erfgenaam zijn vermaakt, worden op de globale reserve van de reservataire erfgenamen aangerekend en, bijkomend, op het beschikbaar deel. Het meerdere wordt ingekort, indien daartoe aanleiding bestaat.

De giften die met vrijstelling van inbreng aan een reservataire erfgenaam, zijn vermaakt, evenals de giften aan een begiftigde die geen reservataire erfgenaam is, worden op het beschikbaar deel aangerekend. Het meerdere wordt ingekort.

Art. 4.155

Volgorde van inkorting

Wanneer de waarde van de schenkingen het beschikbaar deel overschrijdt of daarmee gelijk is, vervallen alle beschikkingen bij testament in volle of blote eigendom die overeenkomstig artikel 4.150, vierde lid, in natura moeten worden ingekort.

Overschrijden de beschikkingen bij testament hetzij het beschikbaar deel, hetzij het deel ervan, dat overblijft na aftrek van de waarde van de schenkingen, dan geschiedt de inkorting naar evenredigheid, zonder dat onderscheid wordt gemaakt tussen de algemene legaten en de bijzondere legaten.

Indien de erflater evenwel uitdrukkelijk verklaard heeft dat een bepaald legaat moet worden voldaan bij voorkeur boven de andere, wordt deze voorkeur in acht genomen. Dat legaat wordt dan slechts ingekort voor zover de inkorting van de overige legaten niet toereikend is om de reserve op te leveren.

Schenkingen worden nooit ingekort dan nadat de waarde van alle goederen die in de beschikkingen bij testament begrepen zijn, is uitgeput. Wanneer deze inkorting plaatsheeft, geschiedt zij te beginnen met de laatste schenking, en aldus vervolgende, van de laatste schenking opklimmend tot de vroegere.

Art. 4.156

Vordering tot inkorting

§ 1.Indien de gift, die in waarde wordt ingekort, het beschikbaar deel overschrijdt, vergoedt de begiftigde, al dan niet erfgenaam, de reservataire erfgenamen, ten belope van het overschrijdende gedeelte van de gift, wat ook het bedrag hiervan is.

De vergoeding die door een erfgenaam verschuldigd is, wordt betaald in mindere ontvangst en, indien hij een reservataire erfgenaam is, bij voorrang door toerekening op zijn reservataire rechten.

De vergoeding voor de inkorting wordt uiterlijk betaald op het ogenblik van de verdeling, behoudens andersluidend akkoord tussen de mede-erfgenamen.

§ 2.Na voorafgaandelijke uitwinning van de goederen van de schuldenaar van de vergoeding voor de inkorting en ingeval van onvermogen van deze laatste, kunnen de reservataire erfgenamen de inkorting vorderen tegen derden die de goederen die van de giften deel uitmaakten onder kosteloze titel hebben verworven van de begiftigde of van de opvolgende begunstigde ten kosteloze titel. De inkorting wordt op dezelfde wijze gevorderd als tegen de begiftigden zelf en volgens de dagtekeningen van de vervreemdingen, te beginnen met de laatste.

De vordering tot inkorting tegen de derden bedoeld in het eerste lid kan niet worden uitgeoefend door de reservataire erfgenamen die, overeenkomstig de artikelen 4.249 tot 4.252, hetzij in de schenkingsakte, hetzij bij een latere uitdrukkelijke verklaring, hebben toegestemd in de vervreemding van het gegeven goed. De artikelen 4.244 tot 4.248 en 4.253 zijn van toepassing op deze toestemming.

§ 3.De vordering tot inkorting kan door de reservataire erfgenamen niet worden uitgeoefend ten aanzien van legaten waarvan zij de afgifte hebben toegekend met kennis van de aantasting van hun reserve. In dat geval kan voor de andere giften evenwel geen grotere inkorting gelden dan diegene die zou zijn toegepast zonder een dergelijke afgifte.

Art. 4.157

Verjaring

§ 1.De vordering tot inkorting ten aanzien van een gift toegekend aan een erfgenaam verjaart na dertig jaar te rekenen vanaf het openvallen van de nalatenschap.

De reservataire erfgenamen zijn echter vervallen van het recht om de inkorting te vorderen indien zij, terwijl zij weet hebben van de aantasting van hun reserve, de inkorting van de giften bedoeld in het eerste lid, niet hebben gevraagd op de dag van de afsluiting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap.

§ 2.De vordering tot inkorting ten aanzien van een gift toegekend aan een begiftigde die geen erfgenaam is, verjaart na twee jaar te rekenen vanaf de afsluiting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap voor zover uit deze vereffening de aantasting blijkt van de reserve van de reservataire erfgenamen of, in elk geval, na maximum dertig jaar te rekenen vanaf het openvallen van de nalatenschap.

De begiftigde kan evenwel, op elk ogenblik, de reservataire erfgenamen aanmanen om standpunt in te nemen over het principe en, in voorkomend geval, het bedrag van de inkorting van de gift die hem werd toegekend. In dat geval, nemen de reservataire erfgenamen een standpunt in over het principe van de inkorting, op straffe van verval ten laatste binnen het jaar volgend op de ingebrekestelling en beschikken zij, te rekenen vanaf deze principeverklaring, over een termijn van twee jaar om de inkorting te vorderen en om het bedrag ervan vast te stellen.