Alle wetboeken › BW

BOEK 4 Nalatenschappen, schenkingen en testamenten › Titel 1 Nalatenschappen en wettelijke erfopvolging

Hoofdstuk 2 Inbreng

4.83–4.97

Art. 4.83

Inbrengplicht

§ 1.Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, tweede lid, en van de artikelen 4.254 tot 4.259, moet iedere erfgenaam in rechte neerdalende lijn, die tot een nalatenschap komt, zelfs indien hij onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, aan zijn mede-erfgenamen inbreng doen van al hetgeen hij van de erflater, bij schenking of bij testament, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen heeft, tenzij de schenkingen en legaten met zekerheid zijn vrijgesteld van inbreng.

Een gift is ook van inbreng vrijgesteld, als ze buiten deel of bij vooruitmaking is gedaan.

In afwijking van het eerste lid, worden de algemene legaten en de legaten onder algemene titel vermoed te zijn vrijgesteld van inbreng, tenzij de inbreng met zekerheid is opgelegd.

§ 2.De giften gedaan aan de langstlevende echtgenoot of de langstlevende wettelijk samenwonende zijn niet vatbaar voor inbreng.

Noch de langstlevende echtgenoot, noch de langstlevende wettelijk samenwonende kan de inbreng eisen van giften die aan andere erfgenamen zijn gedaan, ongeacht of deze giften tussen de andere erfgenamen moeten worden ingebracht of van inbreng zijn vrijgesteld.

§ 3.De verwant die tot de nalatenschap komt en die geen erfgenaam in rechte neerdalende lijn is, moet hetgeen hij van de erflater, bij schenking of bij testament, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen heeft, niet inbrengen tenzij de inbreng hem met zekerheid is opgelegd.

§ 4.De begiftigde die ten tijde van de schenking geen vermoedelijk erfgenaam was, maar erfgenaam is op de dag dat de nalatenschap openvalt, is eveneens tot inbreng gehouden, onder de voorwaarden bepaald in dit artikel.

Art. 4.84

Wijziging van de inbrengplicht

De schenking die oorspronkelijk moest worden ingebracht, kan later van inbreng worden vrijgesteld, door een contract dat tussen de schenker en de begiftigde wordt gesloten.

De schenking die oorspronkelijk vrijgesteld van inbreng was, kan later aan inbreng worden onderworpen, door een contract dat tussen de schenker en de begiftigde wordt gesloten.

Het contract dat deze modaliteit van de schenking wijzigt, zoals bedoeld in het eerste en het tweede lid, wordt opgesteld in de vorm van een schenking. De artikelen 4.249 tot 4.253 zijn niet van toepassing op dit contract.

De schenker kan de aard van de schenking die oorspronkelijk al of niet moest worden ingebracht ook bij testament wijzigen. In dat geval is de begiftigde slechts door deze wijziging gebonden indien hij ze na het overlijden van de schenker aanvaardt. Deze aanvaarding blijft zonder invloed op de uitoefening van het keuzerecht van de begiftigde in de nalatenschap van de schenker.

De gift wordt overeenkomstig de regels bepaald in artikel 4.154, aangerekend op de datum van het contract bedoeld in het derde lid of, indien de wijziging bij testament gebeurt, op de datum van het overlijden van de schenker.

Art. 4.85

Voorwerp van de inbrengplicht

§ 1.Een erfgenaam gehouden tot inbreng, die uit eigen hoofde tot de nalatenschap komt, is slechts gehouden tot inbreng van wat hij zelf heeft gekregen van de erflater, en niet van wat zijn vader of zijn moeder heeft gekregen, zelfs wanneer hij zijn of haar nalatenschap mocht aanvaard hebben. Behoudens andersluidend beding gemaakt overeenkomstig paragraaf 2, brengt hij evenmin in wat zijn kind of zijn afstammeling heeft gekregen.

§ 2.Het kind van de schenker kan zich echter, hetzij in de schenkingsakte, hetzij in een later contract gesloten met de schenker en de begiftigde, ertoe verbinden de schenking aan zijn eigen kind in te brengen in de nalatenschap van de schenker, indien hij deze aanvaardt. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn op deze verbintenis van toepassing.

De goederen ontvangen door het begiftigde kleinkind worden in de nalatenschap van het kind dat zich heeft verbonden tot inbreng overeenkomstig het eerste lid, behandeld alsof hij de goederen gekregen heeft van deze laatste.

Art. 4.86

Inbreng bij plaatsvervulling, verwerping of onwaardigheid

§ 1.De afstammelingen die bij plaatsvervulling tot de nalatenschap komen, moeten in deze nalatenschap de giften die ze zelf van de erflater hebben gekregen inbrengen, tenzij ze hiervan werden vrijgesteld.

Zelfs ingeval zij diens nalatenschap mochten hebben verworpen, moeten zij ook de giften die hij, van wie ze de plaats vervullen, van de erflater heeft gekregen, inbrengen tenzij hij van inbreng werd vrijgesteld.

§ 2.De erfgerechtigde die de nalatenschap verwerpt, mag, indien hij geen afstammelingen heeft die zijn plaats vervullen, de hem gedane schenking behouden, of het hem gemaakte legaat opeisen, ten belope van het beschikbaar deel.

§ 3.De erfgerechtigde die onwaardig is om te erven, en die geen afstammelingen heeft die zijn plaats vervullen, mag de gedane schenking slechts behouden, of het hem gemaakte legaat slechts opeisen, ten belope van het beschikbaar deel en voor zover de gift niet herroepen wordt.

Art. 4.87

Niet in te brengen giften

§ 1.Schenkingen en legaten aan de echtgenoot of de wettelijk samenwonende van een erfgerechtigde moeten niet worden ingebracht.

Zijn de schenkingen en legaten gezamenlijk aan twee echtgenoten of wettelijk samenwonenden gedaan, van wie slechts één erfgerechtigd is, dan brengt deze laatste de helft daarvan in. Zijn de schenkingen en legaten gedaan aan de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die erfgerechtigd is, dan brengt hij die geheel in.

§ 2.De kosten van voeding, van onderhoud, van opvoeding, van het aanleren van een ambacht, kosten van bruiloft en gebruikelijke geschenken zijn geen giften. De aard van gebruikelijk geschenk wordt beoordeeld op de dag waarop het wordt toegekend en rekening houdend met het vermogen van de beschikker.

Wat gediend heeft om aan een van de mede-erfgenamen een stand te verschaffen of om zijn schulden te betalen, moet echter wel ingebracht worden.

Art. 4.88

Modaliteiten van de inbrengplicht

§ 1.Inbreng is slechts verschuldigd in de nalatenschap van de schenker, en enkel door een mede-erfgenaam aan zijn mede-erfgenamen. Hij is niet verschuldigd aan de legatarissen of aan de schuldeisers van de nalatenschap.

§ 2.Schenkingen die moeten ingebracht worden, worden voor het geheel ingebracht, zelfs indien ze, na aanrekening op de globale reserve, voor het overige op het beschikbaar deel worden aangerekend.

Legaten die moeten ingebracht worden en, na aanrekening op de globale reserve, voor het overschot op het beschikbaar deel worden aangerekend, worden slechts ingebracht voor de waarde die na eventuele inkorting over blijft.

Art. 4.89

Inbreng in waarde

§ 1.Met behoud van de toepassing van artikel 4.92, geschiedt de inbreng in waarde niettegenstaande elk andersluidend beding, hetzij door mindere ontvangst, hetzij door de betaling aan de boedel van de waarde van het geschonken of het gelegateerde goed. De inbreng door mindere ontvangst gebeurt hetzij door vooruitneming, hetzij door verrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam schuldenaar.

§ 2.Indien de inbreng door mindere ontvangst geschiedt door vooruitneming, nemen de mede-erfgenamen aan wie de inbreng verschuldigd is, een deel van gelijke waarde vooraf uit de boedel van de nalatenschap. De vooruitnemingen geschieden, zoveel mogelijk, in goederen van gelijke aard, gelijke hoedanigheid en gelijke deugdelijkheid als het voorwerp van de ingebrachte giften.

Na deze vooruitnemingen worden uit hetgeen in de boedel overblijft, zoveel gelijke kavels samengesteld als er deelhebbende erfgenamen of deelhebbende staken zijn.

§ 3.Indien de inbreng geschiedt door aanrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam schuldenaar, dooft de schuld uit door schuldvermenging. Indien het in te brengen bedrag het aandeel van de mede-erfgenaam overtreft, geschiedt de inbreng door betaling van het overschot aan de boedel. Indien de mede-erfgenaam zelf een schuldvordering ten laste van de boedel heeft, wordt het op zijn aandeel in te brengen bedrag slechts aangerekend ten belope van het saldo dat na schuldvergelijking aan de boedel toekomt.

Art. 4.90

In te brengen waarde

§ 1.De inbreng van legaten geschiedt volgens de intrinsieke waarde van het gelegateerde goed op de dag van het openvallen van de nalatenschap.

§ 2.De inbreng van schenkingen geschiedt volgens de intrinsieke waarde van het geschonken goed op de dag van de schenking, geïndexeerd vanaf deze dag tot op de dag van het overlijden, in functie van de index van de consumptieprijzen van de maand van het overlijden van de schenker, met als basisindex deze van de maand waarin de schenking werd gedaan. Er wordt geen rekening gehouden met de vruchten die het geschonken goed heeft opgebracht tussen de dag van de schenking en deze van het overlijden van de beschikker, noch met het voordeel dat de begiftigde heeft gehaald uit het genot van het goed tijdens deze periode.

§ 3.Van paragraaf 2 wordt afgeweken wanneer de begiftigde het recht om te beschikken over de volle eigendom van het geschonken goed niet vanaf de dag van de schenking had.

In dat geval, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het overlijden van de beschikker, indien de begiftigde het recht om te beschikken over de volle eigendom verkrijgt op het ogenblik van het overlijden.

Indien de begiftigde het recht om over de volle eigendom te beschikken verkrijgt op een datum na het overlijden, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het overlijden, verminderd met de waarde van de lasten die de uitoefening van het beschikkingsrecht over de volle eigendom verhinderen.

Indien de begiftigde het recht om over de volle eigendom te beschikken verkrijgt op een datum na de schenking, doch voor het overlijden van de beschikker, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op deze datum, geïndexeerd vanaf deze dag tot de dag van het overlijden overeenkomstig paragraaf 2.

§ 4.De intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking is deze vermeld in de akte of uitgedrukt op de dag van de schenking, behoudens indien zij manifest onredelijk is gelet op de staat en de toestand van het goed op de dag van de schenking.

§ 5.De intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking vermeld in de akte of uitgedrukt op de dag van de schenking, geldt voor iedere erfgenaam die ze aanvaard heeft in de akte of bij een later contract, gesloten met de schenker en de begiftigde.

§ 6.De schenker en de begiftigde kunnen overeenkomen dat de inbreng van een schenking bedoeld in paragraaf 3 zal geschieden volgens de intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking, geïndexeerd zoals bepaald in paragraaf 2. Deze waarde geldt voor iedere erfgenaam die ze aanvaard heeft in de akte of bij een later contract, gesloten met de schenker en de begiftigde.

§ 7.De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op het contract bedoeld in paragraaf 6, en de aanvaarding bedoeld in de paragrafen 5 en 6.

§ 8.De in paragrafen 5 en 6 bedoelde verklaring van de erfgenamen ontneemt hen niet het recht om inkorting te vragen overeenkomstig de artikelen 4.150 tot 4.157.

§ 9.Zelfs wanneer het geschonken goed door overmacht is teniet gegaan, moet zijn waarde overeenkomstig de vorige paragrafen worden ingebracht.

Art. 4.91

Interest op de inbrengschuld

De waarde die overeenkomstig artikel 4.90 moet worden ingebracht, brengt van rechtswege interesten op aan de wettelijke rentevoet te rekenen van de dag van het overlijden van de beschikker.

Art. 4.92

Aanbod tot inbreng in natura

De erfgenaam die tot de inbreng is gehouden, heeft de mogelijkheid om zijn verplichting uit te voeren door het geschonken goed in natura in te brengen, voor zover dit hem nog toebehoort en dit vrij is van elke last of bezetting, waarmee het nog niet bezwaard was ten tijde van de schenking.

Deze inbreng geeft aanleiding tot de betaling van een opleg ten laste van de boedel, indien de waarde van het goed dat in natura wordt ingebracht de in te brengen waarde zoals bepaald in artikel 4.90, §§ 2 en 3 overschrijdt.

Indien de waarde van het goed dat in natura wordt ingebracht lager is dan de in te brengen waarde, is een opleg verschuldigd aan de boedel, ten laste van de erfgenaam die tot inbreng is gehouden.

Art. 4.93

Dwingend recht

De artikelen 4.89, 4.90 en 4.92 zijn van toepassing niettegenstaande elk andersluidend beding, tenzij de wet anders bepaalt en tenzij de erfgenamen, na het openvallen van de nalatenschap, anders overeenkomen.

Art. 4.94

In te brengen schulden

Om de gelijke behandeling van de mede-erfgenamen in de verdeling te verzekeren, wordt de vaststaande schuld die een mede-erfgenaam tegenover de boedel heeft, in de te verdelen boedel ingebracht. De regels betreffende de wijze van inbreng van schenkingen zijn van toepassing op de inbreng van schulden, met uitzondering van de regels betreffende de waardering van schenkingen.

Art. 4.95

Voldoening van de in te brengen schuld

De inbreng van de schulden geschiedt hetzij door mindere ontvangst, hetzij door betaling van het verschuldigde bedrag aan de boedel.

Indien de inbreng door mindere ontvangst geschiedt door vooruitneming, nemen de mede-erfgenamen aan wie de inbreng verschuldigd is, een gelijk bedrag vooraf uit de boedel van de nalatenschap.

Indien de inbreng geschiedt door aanrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam- schuldenaar, dan dooft de schuld uit door schuldvermenging. Indien het in te brengen bedrag het aandeel van de mede-erfgenaam overtreft, blijft de mede-erfgenaam het saldo verschuldigd met toepassing van de voorwaarden en termijnen die voor de oorspronkelijke schuld golden. Indien de mede-erfgenaam zelf een schuldvordering ten laste van de boedel heeft, wordt zijn schuld slechts op zijn aandeel aangerekend ten belope van het saldo dat na schuldvergelijking aan de boedel toekomt.

Art. 4.96

Opeisbaarheid van de in te brengen schuld

Tenzij ze betrekking heeft op de prijs van verkochte goederen uit de onverdeeldheid, is de schuld pas opeisbaar vanaf het sluiten van de verdelingsverrichtingen. De mede-erfgenaam schuldenaar kan echter beslissen om de schuld eerder te voldoen.

Art. 4.97

Interesten op de in te brengen schuld

De interesten op de schuld lopen door zoals oorspronkelijk was bedongen of beslist. Indien geen interest was bedongen of opgelegd, dan lopen de interesten van rechtswege vanaf het overlijden, aan de wettelijke rentevoet. Indien de schuld tijdens de onverdeeldheid is ontstaan, lopen de interesten van rechtswege vanaf de datum van opeisbaarheid, aan de wettelijke rentevoet.