Inbrengplicht
§ 1.Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, tweede lid, en van de artikelen 4.254 tot 4.259, moet iedere erfgenaam in rechte neerdalende lijn, die tot een nalatenschap komt, zelfs indien hij onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, aan zijn mede-erfgenamen inbreng doen van al hetgeen hij van de erflater, bij schenking of bij testament, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen heeft, tenzij de schenkingen en legaten met zekerheid zijn vrijgesteld van inbreng.
Een gift is ook van inbreng vrijgesteld, als ze buiten deel of bij vooruitmaking is gedaan.
In afwijking van het eerste lid, worden de algemene legaten en de legaten onder algemene titel vermoed te zijn vrijgesteld van inbreng, tenzij de inbreng met zekerheid is opgelegd.
§ 2.De giften gedaan aan de langstlevende echtgenoot of de langstlevende wettelijk samenwonende zijn niet vatbaar voor inbreng.
Noch de langstlevende echtgenoot, noch de langstlevende wettelijk samenwonende kan de inbreng eisen van giften die aan andere erfgenamen zijn gedaan, ongeacht of deze giften tussen de andere erfgenamen moeten worden ingebracht of van inbreng zijn vrijgesteld.
§ 3.De verwant die tot de nalatenschap komt en die geen erfgenaam in rechte neerdalende lijn is, moet hetgeen hij van de erflater, bij schenking of bij testament, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen heeft, niet inbrengen tenzij de inbreng hem met zekerheid is opgelegd.
§ 4.De begiftigde die ten tijde van de schenking geen vermoedelijk erfgenaam was, maar erfgenaam is op de dag dat de nalatenschap openvalt, is eveneens tot inbreng gehouden, onder de voorwaarden bepaald in dit artikel.