Reserve van de langstlevende echtgenoot
§ 1.Niettegenstaande elke andersluidende bepaling verkrijgt de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de helft van de rekenboedel zoals omschreven in artikel 4.153.
§ 2.Giften mogen niet tot gevolg hebben dat de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik of het recht op huur verliest van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad.
In geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten heeft dit vruchtgebruik of dit recht op huur betrekking op het onroerend goed waarin de echtgenoten hun laatste echtelijke verblijfplaats hadden gevestigd en op het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de langstlevende echtgenoot daar is blijven wonen of tegen zijn wil verhinderd werd dat te doen en de toewijzing van dit vruchtgebruik of dit recht op huur voldoet aan de eis van billijkheid.
Dat vruchtgebruik wordt toegerekend op het vruchtgebruik dat de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge paragraaf 1, evenwel zonder daartoe beperkt te zijn.
§ 3.In elk geval, kan de langstlevende echtgenoot niet de inkorting vragen van de schenkingen gedaan door de erflater op een tijdstip waarop de echtgenoot deze hoedanigheid niet had, niettegenstaande de opname ervan in de rekenboedel bedoeld in artikel 4.153. Evenmin kan hij voordeel genieten van de inkorting van dergelijke schenkingen gevraagd door de afstammelingen van de erflater.
§ 4.De rechten bedoeld in paragrafen 1 en 2 kunnen bij testament aan de langstlevende echtgenoot worden ontnomen, indien de echtgenoten op de dag van het overlijden sinds meer dan zes maanden gescheiden leefden en indien de erflater of de langstlevende echtgenoot, bij een gerechtelijke akte, als eiser of als verweerder, ofwel een afzonderlijk verblijf had gevorderd, ofwel een vordering tot echtscheiding op grond van artikel 229 van het oud Burgerlijk Wetboek had ingeleid, en voor zover de echtgenoten na die akte niet opnieuw zijn gaan samenwonen.
In het geval bedoeld in het eerste lid houdt de aanstelling van een algemene legataris een weerlegbaar vermoeden in van de wil om de langstlevende echtgenoot deze rechten te ontnemen.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de echtgenoten de overeenkomst bedoeld in artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot stand hebben gebracht. Deze overeenkomst heeft uitwerking vanaf de neerlegging van het verzoekschrift tot echtscheiding, tenzij de partijen in de overeenkomst hebben bepaald dat deze uitwerking heeft vanaf de ondertekening.
§ 5.Van het bepaalde in dit artikel kan worden afgeweken in het geval als bedoeld in artikel 2.3.2.