Verwanten in rechte opgaande lijn
§ 1.Wanneer er na kloving, zoals bepaald in artikel 4.28, in beide lijnen verwanten in de opgaande lijn bestaan, dan erft in elke lijn de naaste verwant in graad, ook als de erflater een langstlevende echtgenoot achterlaat. In elke lijn erven verwanten in opgaande lijn in gelijke graad, per hoofd.
§ 2.Indien er slechts in één lijn verwanten in opgaande lijn bestaan, en de erflater een langstlevende echtgenoot achterlaat, vindt evenwel geen kloving plaats. Alleen de verwanten in opgaande lijn komen in dat geval tot de nalatenschap. In die lijn komt de naaste in graad tot de nalatenschap en erven de verwanten in opgaande lijn in gelijke graad per hoofd.
§ 3.In het geval bepaald in paragraaf 1, indien de erflater ook een langstlevende echtgenoot nalaat, en in het geval bepaald in paragraaf 2, worden de rechten van de verwanten in opgaande lijn, beperkt tot de blote eigendom van de overige goederen van het eigen vermogen van de erflater zoals in artikel 4.17, § 2, 2°, omschreven.
§ 4.Indien er in een van beide lijnen geen verwanten in opgaande lijn bestaan, en de erflater geen langstlevende echtgenoot achterlaat, dan is er wel kloving, en komen in die lijn de gewone zijverwanten tot de nalatenschap, volgens de regels bepaald in artikel 4.30.
In dat geval heeft de overlevende vader of moeder het vruchtgebruik van het derde gedeelte van de goederen die hij of zij niet in eigendom erft.