Erfrecht en recht op huur van de langstlevende wettelijk samenwonende
§ 1.De langstlevende wettelijk samenwonende verkrijgt, met welke erfgenamen hij ook tot de nalatenschap komt, het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de erflater het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad.
Dit recht oefent de langstlevende wettelijk samenwonende ook uit indien de in het eerste lid vermelde goederen voorwerp zijn van een recht van wettelijke terugkeer waarvan sprake in artikel 4.24 of in artikel 4.25.
§ 2.De langstlevende wettelijk samenwonende die tot de nalatenschap komt ontvangt bij overlijden van de schenker het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad, indien de schenker zich bij de schenking van deze goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, en op voorwaarde dat de wettelijk samenwonende op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid had en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
De wettelijk samenwonende kan afstand doen van het in het eerste lid bedoelde vruchtgebruik. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op die afstand wanneer hij plaatsvindt bij leven van de schenker.
§ 3.De langstlevende wettelijk samenwonende verkrijgt als enige, met uitsluiting van alle andere erfgenamen, het recht op de huur van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de vooroverleden wettelijk samenwonende het gezin tot voornaamste woning diende, en verkrijgt het vruchtgebruik van het daarin aanwezige huisraad.
§ 4.De voorgaande bepalingen zijn niet van toepassing wanneer de langstlevende wettelijk samenwonende een afstammeling is van de vooroverleden wettelijk samenwonende.
§ 5.Niettegenstaande enig andersluidend beding kan ieder die de blote eigendom verkrijgt, eisen dat een boedelbeschrijving van het huisraad en een staat van het onroerend goed dat het gezin tot voornaamste woning diende wordt opgemaakt.
§ 6.De regels inzake het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot die zijn opgenomen in de artikelen 4.22 en 4.60 tot 4.64 zijn van overeenkomstige toepassing op het vruchtgebruik van de langstlevende wettelijk samenwonende.