Alle wetboeken › Bankwet

BOEK XI - HERSTEL EN AFWIKKELING VAN GROEPEN

TITEL III/2 - Coördinatie van herstelmaatregelen met betrekking tot groepen

438/13–438/17

Art. 438/13

Indien aan de voorwaarden voor het opleggen van maatregelen op grond van artikel 234, 235 of 236 is voldaan met betrekking tot een Belgische EER-moederonderneming, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de EBA in kennis en raadpleegt hij de andere bevoegde autoriteiten in het college van bevoegde autoriteiten.

Bij de beslissing tot toepassing van de maatregelen van artikel 234, 235 of 236 voor de betrokken EER-moederonderneming, houdt de toezichthouder rekening met het effect van deze maatregelen op de groepsentiteiten in andere lidstaten. De toezichthouder stelt de andere bevoegde autoriteiten binnen het college van bevoegde autoriteiten alsook de EBA van het besluit in kennis.

Art. 438/14

§ 1.Indien aan de voorwaarden voor het opleggen van maatregelen op grond van artikel 234, 235 of 236 is voldaan met betrekking tot een Belgische dochteronderneming van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat, stelt de toezichthouder, wanneer hij voornemens is in overeenstemming met artikel 234 of 236 een maatregel te nemen, de EBA in kennis en raadpleegt hij de consoliderende toezichthouder.

Na de kennisgeving en raadpleging houdt de toezichthouder rekening met de eventuele beoordeling van de consoliderende toezichthouder wanneer hij eventueel besluit tot het toepassen van maatregelen op grond van artikel 234, 235 of 236. De toezichthouder stelt de consoliderende toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten binnen het college van bevoegde autoriteiten, alsook de EBA, van het besluit in kennis.

§ 2.Wanneer de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, een kennisgeving ontvangt zoals bedoeld in artikel 30, lid 3 van Richtlijn 2014/59/EU in verband met een buitenlandse dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming, kan hij beoordelen welke gevolgen het opleggen van herstelmaatregelen naar verwachting zal hebben op de betrokken kredietinstelling, de Belgische groep of de groepsentiteiten in andere lidstaten. De toezichthouder stelt de bevoegde autoriteit in kennis van deze beoordeling binnen drie dagen na ontvangst van de kennisgeving.

Art. 438/15

Indien de toezichthouder voornemens is één of meer maatregelen op grond van artikel 234, 235 of 236 te nemen voor een Belgische kredietinstelling in een groep, en de buitenlandse bevoegde autoriteiten eveneens voornemens zijn één of meer maatregelen zoals bedoeld in artikel 27 of 29 van Richtlijn 2014/59/EU te nemen voor één of meer andere buitenlandse kredietinstellingen in dezelfde groep, is het volgende van toepassing:

1°de toezichthouder gaat samen met de buitenlandse bevoegde autoriteiten na of het de voorkeur verdient voor alle betrokken groepsentiteiten een speciaal commissaris aan te stellen, dan wel de toepassing van de herstelmaatregelen op meerdere kredietinstellingen te coördineren teneinde oplossingen te faciliteren waarmee de financiële positie van de betrokken kredietinstellingen wordt hersteld. De beoordeling neemt de vorm aan van een gezamenlijk besluit van de consoliderende toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten, dat genomen wordt binnen vijf dagen na de datum van de kennisgeving vanwege de consoliderende toezichthouder dat voldaan is aan de voorwaarden voor het opleggen van herstelmaatregelen met betrekking tot de EER-moederonderneming. Het gezamenlijk besluit wordt gemotiveerd en door de consoliderende toezichthouder ter kennis gebracht van de EER-moederonderneming;

2°de toezichthouder kan de EBA verzoeken om overeenkomstig artikel 31 van Verordening nr. 1093/2010 assistentie te verlenen bij het bereiken van overeenstemming;

3°indien binnen vijf dagen geen gezamenlijk besluit is genomen, kan de toezichthouder met betrekking tot de Belgische kredietinstellingen van de groep individuele besluiten nemen over de toepassing van artikel 234, 235 of 236.

Art. 438/16

Indien de toezichthouder het niet eens is met een besluit tot het nemen van herstelmaatregelen dat hem door een buitenlandse bevoegde autoriteit ter kennis gebracht is als bedoeld in artikel 30, lid 1 of lid 3 van Richtlijn 2014/59/EU, of indien geen gezamenlijk besluit is genomen als bedoeld in artikel 438/15, kan de toezichthouder de zaak voorleggen aan de EBA zoals bedoeld in artikel 30, lid 6 van Richtlijn 2014/59/EU.

Art. 438/17

§ 1.Elk besluit van de toezichthouder genomen op grond van dit hoofdstuk wordt gemotiveerd, rekening houdend met de standpunten en voorbehouden die de andere bevoegde autoriteiten kenbaar hebben gemaakt alsook met het potentiële effect van het besluit op de financiële stabiliteit in de betrokken lidstaten. De toezichthouder brengt deze besluiten, al naar het geval, ter kennis van de Belgische EER-moederonderneming dan wel van de betrokken Belgische dochterondernemingen.

§ 2.Indien een buitenlandse betrokken bevoegde autoriteit een zaak overeenkomstig artikel 30, lid 7, tweede alinea van Richtlijn 2014/59/EU heeft voorgelegd aan de EBA, stelt de toezichthouder zijn besluit uit en wacht hij het besluit af dat de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3 van Verordening nr. 1093/2010 kan nemen. De toezichthouder neemt een besluit, in voorkomend geval samen met de andere bevoegde autoriteiten, in overeenstemming met het besluit van de EBA. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de periode van vijf dagen zoals bedoeld in artikel 438/15 of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet binnen drie dagen een besluit heeft genomen, zijn de overeenkomstig artikel 438/13, artikel 438/14 of artikel 438/15, 3° genomen individuele besluiten van toepassing