Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL III - Toezicht op de kredietinstellingen › HOOFDSTUK IV - Groepstoezicht › Afdeling IV - Gemeenschappelijke bepalingen

Onderafdeling IV - Moederondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren

218/1–219

Art. 218/1

§ 1.Kredietinstellingen naar Belgisch recht waarvan de moederonderneming onder het recht van een derde land ressorteert, moeten aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

1°de kredietinstelling is in handen van een intermediaire EER-moederonderneming;

2°de kredietinstelling is zelf een intermediaire EER-moederonderneming;

3°de kredietinstelling behoort tot een groep uit een derde land die geen andere EER-dochterondernemingen heeft die een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding of gemengde financiële holding zijn;

4°de kredietinstelling behoort tot een groep uit een derde land waarvan de totale waarde van de activa in de EER minder bedraagt dan 40 miljard euro.

§ 2.Voor de toepassing van dit artikel is de totale waarde van de activa in de EER van een groep uit een derde land de som van het volgende:

1°de totale waarde van de activa van elke kredietinstelling en -beleggingsonderneming in de EER die deel uitmaakt van de groep uit een derde land, zoals die blijkt uit haar geconsolideerde balans of, bij ontstentenis daarvan, zoals die blijkt uit haar afzonderlijke balansen; en

2°de totale waarde van de activa van elk bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend in overeenstemming met Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 600/2014 of Richtlijn 2014/65/EU.

Art. 218/2

§ 1.Kredietinstellingen als bedoeld in artikel 218/1, § 1, 1° moeten in handen zijn van een intermediaire EER-moederonderneming die alle dochterondernemingen in de EER van de groep uit een derde land bezit die kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings zijn.

Kredietinstellingen als bedoeld in artikel 218/1, § 1, 2°, bezitten alle dochterondernemingen in de EER van de groep uit een derde land die kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, goedgekeurde en aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings zijn.

§ 2.De toezichthouder, in voorkomend geval bij onderlinge overeenkomst met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, kan toestaan dat een groep uit een derde land twee intermediaire EER-moederondernemingen opricht, wanneer de oprichting van slechts een enkele intermediaire EER-moederonderneming:

1°niet in overeenstemming zou zijn met een verplicht voorschrift inzake scheiding van activiteiten dat wordt opgelegd bij reglementaire bepalingen of door de toezichthouder van het derde land waar de uiteindelijke moederonderneming van de groep uit een derde land haar hoofdbestuur heeft; of

2°volgens de afwikkelingsautoriteit die bevoegd is voor de intermediaire EER-moederonderneming, de afwikkelbaarheid minder doeltreffend zou maken dan wanneer er twee intermediaire EER-moederondernemingen zouden zijn.

Bij verschil van mening kan de toezichthouder de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken.

§ 3.De intermediaire EER-moederonderneming als bedoeld in artikel 218/1, § 1, 1°, dient overeenkomstig artikel 7 of overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat een vergunning als kredietinstelling te hebben verkregen of moet een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding zijn.

Wanneer er overeenkomstig paragraaf 2, 1°, een tweede intermediaire EER-moederonderneming mag worden opgericht, mag, in afwijking van het eerste lid, een van de intermediaire moederondernemingen een beleggingsonderneming zijn die overeenkomstig artikel 6 van de wet van 25 oktober 2016 of overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat een vergunning heeft verkregen en die onderworpen is aan Richtlijn 2014/59/EU.

§ 4.De toezichthouder stelt de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende elke groep uit een derde land die in België actief is:

1°de naam en de totale waarde van de activa van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht en de naam van de Belgische goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings, die behoren tot een groep uit een derde land;

2°de naam van de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die een bijkantoor hebben waaraan in België een vergunning is verleend overeenkomstig deze wet, de wet van 25 oktober 2016 of Verordening nr. 600/2014, en de totale waarde van hun activa in België evenals de activiteiten die zij op grond van hun vergunning mogen uitoefenen;

3°de naam en het wettelijk toezichtsstatuut van de intermediaire EER-moederondernemingen naar Belgisch recht in het licht van de criteria van paragraaf 3 en de naam van de groep uit een derde land waar zij deel van uitmaken.

Art. 219

§ 1.Kredietinstellingen naar Belgisch recht met als moederonderneming

-een moederkredietinstelling, financiële holding of gemengde financiële holding, of

-een gereglementeerde onderneming aan het hoofd van een financieel conglomeraat,

die onder een derde land ressorteert, die niet reeds onderworpen zijn aan of opgenomen zijn in de reikwijdte van het toezicht op geconsolideerde basis, overeenkomstig Afdeling II van dit Hoofdstuk en deze Afdeling of het aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling, uitgeoefend door de toezichthouder of een andere bevoegde autoriteit, worden, naargelang het geval, onverminderd de artikelen 218/1 en 218/2, aan een geconsolideerd toezicht of een aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen volgens de bepalingen van dit artikel.

§ 2.De toezichthouder verifieert of de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen onder een door een autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht vallen dat gelijkwaardig is met:

1°het toezicht op geconsolideerde basis uit hoofde van de bepalingen van Afdeling II van dit Hoofdstuk en deze Afdeling, of

2°het aanvullende conglomeraatstoezicht uit hoofde van de bepalingen van Afdeling III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling.

Hij doet dit op eigen initiatief dan wel op verzoek van de in paragraaf 1 bedoelde moederondernemingen of van de kredietinstelling naar Belgisch recht.

Alvorens een beslissing te nemen raadpleegt de toezichthouder de andere eventueel betrokken bevoegde autoriteiten over de al dan niet gelijkwaardigheid van het bedoelde toezicht en, voor wat betreft het toezicht op geconsolideerde basis, ook de EBA.

Aangaande deze gelijkwaardigheid houdt de toezichthouder rekening met:

1°de richtsnoeren die het Europees Comité voor het Bankwezen uitbrengt voor het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU en Verordening nr. 575/2013;

2°de richtsnoeren opgesteld door het Gemengd Comité overeenkomstig de artikelen 16 en 56 van Verordening nr. 1093/2010, Verordening nr. 1094/2010 of Verordening nr. 1095/2010, over het aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG.

§ 3.Indien een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder op grond van de overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU of artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG als consoliderende toezichthouder of coördinator zou aangewezen zijn, geschieden de in paragraaf 2 bedoelde verificatie en raadpleging door deze andere bevoegde autoriteit en kan de toezichthouder zijn bevindingen en zienswijze over de in paragraaf 1 bedoelde gelijkwaardigheid aan deze andere bevoegde autoriteit meedelen.

Wanneer, wat betreft het aanvullende conglomeraatstoezicht, de toezichthouder van mening verschilt over een door een andere bevoegde autoriteit uit hoofde van het eerste lid genomen besluit, is artikel 19, naargelang het geval, van Verordening nr. 1093/2010, van Verordening nr. 1094/2010 of van Verordening nr. 1095/2010 van toepassing.

§ 4.Indien de procedure in paragrafen 2 en 3 leidt tot de vaststelling dat er geen gelijkwaardigheid is, worden de betrokken kredietinstellingen naar Belgisch recht onderworpen aan een geconsolideerd toezicht of aanvullend conglomeraatstoezicht dat gelijkwaardig is aan dat van de Afdelingen II en III van dit Hoofdstuk en van deze Afdeling, en dat door de toezichthouder wordt uitgeoefend indien hij de bevoegde autoriteit is die zou belast zijn met het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van, respectievelijk, artikel 171 of artikel 196.

Bovendien kan de toezichthouder, na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, ook beslissen een andere passende toezichtsmethode toe te passen die de doelstellingen achter de bepalingen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid dient te verwezenlijken.

De toezichthouder kan meer bepaald eisen dat de kredietinstellingen naar Belgisch recht en de eventuele andere gereglementeerde ondernemingen opgericht naar het recht van een lidstaat, worden ondergebracht in een groep met aan het hoofd een financiële holding of gemengde financiële holding opgericht naar het recht van een lidstaat, en dat de volgende wetgeving van toepassing is:

1°de wetgeving tot omzetting van Titel VII, Hoofdstuk III van Richtlijn 2013/36/EU op geconsolideerde basis, in het recht van de lidstaat waar de financiële holding is gevestigd, of

2°de wetgeving tot omzetting van Hoofdstuk II van Richtlijn 2002/87 in het recht van de lidstaat waar de gemengde financiële holding is gevestigd op het niveau van het financiële conglomeraat met aan het hoofd die gemengde financiële holding.

In dat geval stelt de toezichthouder, wanneer hij belast is met het toezicht op geconsolideerde basis of met het aanvullende conglomeraatstoezicht, de andere betrokken bevoegde autoriteiten, de Europese Commissie en, wat betreft het toezicht op geconsolideerde basis, ook de EBA, in kennis van elke beslissing genomen met toepassing van het tweede en het derde lid.

Voor de toepassing van het eerste tot het vierde lid sluit de toezichthouder de nodige overeenkomsten met de betrokken bevoegde autoriteiten.