Alle wetboeken › WER

BOEK VII - BETALINGS- EN KREDIETDIENSTEN. › TITEL 4 Kredietovereenkomsten. › HOOFDSTUK 2 - Hypothecair krediet

Afdeling 8 - Respijtmaatregelen en niet-uitvoering van de kredietovereenkomst.

VII.147/20–VII.147/23

Art. VII.147/20

§ 1.De kredietgevers beschikken over adequaat beleid en adequate procedures, zodat zij zich inspannen om waar passend een redelijke mate van tolerantie aan te houden alvorens een handhavingsprocedure in te leiden. Bij dergelijke respijtmaatregelen wordt onder andere rekening gehouden met de individuele omstandigheden van de consument.

Voor wat het hypothecair krediet met roerende bestemming betreft, houdt iedere wijziging van de bestaande voorwaarden het sluiten van een nieuwe kredietovereenkomst in.

Voor wat het hypothecair krediet met onroerende bestemming betreft, gebeurt iedere wijziging als bedoeld in artikel VII.145, tweede lid, via een bijvoegsel als bedoeld in artikel VII.145, vierde lid. Iedere andere wijziging van bestaande voorwaarden houdt het sluiten van een nieuwe kredietovereenkomst in.

Artikel VII.133 is overeenkomstig van toepassing.

Er worden geen dossierkosten, noch nalatigheidsinteresten noch enige andere kosten aangerekend voor de respijtmaatregelen in het kader van de toepassing van dit artikel, met uitzondering van de contractueel bedongen debetrentevoet en eventuele bedongen kosten bij normale uitvoering van het contract, toegepast over de periode van de respijtmaatregelen.

§ 2.Onverminderd de toepassing van artikel VII.147/13, § 1, is elk beding dat voorziet in het verval van de termijnbepaling of in een uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde, verboden en wordt als niet geschreven beschouwd, tenzij:

1°ingeval de consument ten minste twee termijnbedragen, een bedrag gelijk aan 20 pct. van het totale door de consument terug te betalen bedrag of de overeenkomstige bedragen voor de wedersamenstelling van het kapitaal niet heeft betaald en hij één maand na het versturen per aangetekende zending van een brief tot ingebrekestelling zijn verplichtingen niet is nagekomen. Die regels moeten door de kredietgever bij de consument in herinnering worden gebracht bij de ingebrekestelling;

2°ingeval van een hypothecair krediet met een roerende bestemming, indien de consument het gefinancierde roerend goed vervreemdt vóór het betalen van de prijs, of het gebruikt in strijd met de bedongen voorwaarden van de overeenkomst, terwijl de kredietgever zich de eigendom ervan had voorbehouden;

3°ingeval van een hypothecair krediet met een roerende bestemming, indien de consument het kredietbedrag bedoeld in de artikelen VII.147/15 en VII.147/16 overschrijdt, en hij, een maand na het versturen per aangetekende zending van een brief houdende ingebrekestelling, zijn verplichtingen niet is nagekomen;

4°ingeval de consument failliet wordt verklaard;

5°wanneer de consument de hypothecaire zekerheid die hij bij de kredietovereenkomst had gesteld, door zijn toedoen heeft verminderd in de volgende gevallen:

a)indien het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de hypothecaire zekerheid, geheel of gedeeltelijk wordt vervreemd, verkocht, geruild, of geschonken onder de levenden;

b)indien het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van een hypothecaire volmacht of hypotheekbelofte wordt bezwaard met een hypotheek.

§ 3.De rechter kan, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties en de toepassing van artikel VII.134, § 4, de ontbinding ten laste van de consument bevelen in de volgende gevallen:

1°indien het onroerende goed dat met een hypothecaire zekerheid bezwaard is het voorwerp uitmaakt van een beslag door een andere schuldeiser;

2°indien de hypothecaire inschrijving de met de consument overeengekomen rang niet inneemt;

3°ingeval van vermindering van de hypothecaire zekerheid door een substantiële waardevermindering van het onroerend goed toerekenbaar aan de consument: door een wijziging van de aard of de bestemming, door een ernstige beschadiging, door een ernstige verontreiniging, door het verhuren onder de normale huurprijs of verhuren voor meer dan negen jaar tenzij het akkoord van de kredietgever werd verkregen;

4°ingeval van mede-eigendom: wijziging van de basisakte waarmee de consument heeft ingestemd, met waardevermindering als gevolg;

5°ingeval van niet aanhechting, binnen een termijn van drie maanden na het verlijden van de authentieke kredietakte en gedurende de verdere looptijd van de kredietovereenkomst, van de overeengekomen brandverzekering, schuldsaldoverzekering of tijdelijke overlijdensverzekering met constant kapitaal;

6°indien de consument bewust informatie in de zin van artikel VII.126 heeft achtergehouden of onjuist heeft weergegeven waardoor zijn kredietwaardigheid onjuist werd beoordeeld;

7°indien een aannemer, architect, metser of enige andere werkman het proces-verbaal doet opmaken bedoeld in artikel 27, 5°, van de hypotheekwet van 16 december 1851;

8°indien het door het krediet gefinancierde onroerend goed niet volledig afgewerkt is en voor verhuring geschikt binnen 24 maanden na de ondertekening van de authentieke kredietakte of de werken niet uitgevoerd worden overeenkomstig de plannen en lastenboeken of de afgeleverde vergunningen;

9°indien het krediet wordt aangewend voor een ander doel dan het door de consument opgegeven doel.

§ 4.De regels van dit artikel worden door de kredietgever aan de consument in herinnering gebracht bij de ingebrekestelling.

Onverminderd de toepassing van artikel VII.147/13, § 1, is elk beding dat voorziet dat de kredietgever op elk ogenblik de terugbetaling van het opgenomen kredietbedrag kan eisen verboden en wordt dit als niet geschreven beschouwd. De oorzaken van de vervroegde opeisbaarheid of ontbinding mogen niet voortvloeien uit een toedoen van de kredietgever.

Art. VII.147/21

Bij wanbetaling van een verschuldigd bedrag verzendt de kredietgever, binnen drie maanden na de vervaldag, aan de consument bij een aangetekende zending een verwittiging die de gevolgen van de wanbetaling vermeldt.

Bij niet-naleving van deze verplichting mag de contractuele verhoging van de rentevoeten wegens vertraging in de betaling bedoeld in de artikelen VII.147/22 en VII.147/23 voor deze vervaldag niet worden toegepast; bovendien moet voor deze vervaldag een betalingsuitstel van zes maanden te rekenen vanaf de achterstallige vervaldag zonder bijkomende kosten of intresten worden toegekend.

Art. VII.147/22

§ 1.Bij ontbinding van een hypothecair krediet met roerende bestemming of bij verval van de termijnbepaling opgenomen in deze kredietovereenkomst wegens de niet-uitvoering door de consument van zijn verbintenissen mag aan de consument geen andere betaling gevraagd worden dan die hieronder vermeld:

-het verschuldigd blijvende saldo;

-het bedrag van de vervallen en niet-betaalde totale kosten van het krediet voor de consument;

-het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest berekend op het verschuldigd blijvende saldo;

-de overeengekomen straffen of schadevergoedingen voor zover ze worden berekend op het verschuldigd blijvende saldo en beperkt worden tot de volgende maximumbedragen:

-ten hoogste 10 % van de schijf van het verschuldigd blijvende saldo tot 7 500 euro;

-ten hoogste 5 % van de schijf van het verschuldigd blijvende saldo boven 7 500 euro.

§ 2.Bij eenvoudige betalingsachterstand van een hypothecair krediet met roerende bestemming die geen ontbinding van de overeenkomst noch een verval van de termijnbepaling met zich brengt, mag aan de consument geen andere betaling gevraagd worden dan die hieronder vermeld:

-het vervallen en niet-betaalde kapitaal;

-het bedrag van de vervallen en niet-betaalde totale kosten van het krediet voor de consument;

-het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest berekend op het vervallen en niet-betaalde kapitaal;

-de overeengekomen kosten voor de maanbrieven en de brieven voor ingebrekestelling, a rato van één verzending per maand. Deze kosten bestaan uit een forfaitair maximumbedrag van 7,50 EUR, vermeerderd met de op het ogenblik van de verzending geldende portokosten. De Koning kan dat forfaitair bedrag aanpassen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.

Wanneer de overeenkomst wordt opgezegd, overeenkomstig artikel VII.147/13, § 1, of een einde heeft genomen en de consument zijn verplichtingen niet is nagekomen drie maanden na het versturen per aangetekende zending van een brief tot ingebrekestelling, mag aan de consument geen andere betaling gevraagd worden dan die hieronder vermeld:

-het vervallen en niet-betaalde kapitaal;

-het bedrag van de vervallen en niet-betaalde totale kosten van het krediet voor de consument;

-het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest berekend op het vervallen en niet-betaalde kapitaal;

-de overeengekomen straffen of schadevergoedingen binnen de grenzen en maximumbedragen bedoeld bij § 1.

§ 3.De overeengekomen nalatigheidsintrestvoet bij een hypothecair krediet met een roerende bestemming mag niet meer bedragen dan de debetrentevoet laatst toegepast op het betreffende bedrag of de betreffende deeltermijn, verhoogd met een coëfficiënt van hoogstens 10 pct.

§ 4.Elke betaling gevraagd overeenkomstig de §§ 1 en 2 moet omstandig omschreven en verklaard worden in een document dat gratis aan de consument overhandigd wordt.

Een nieuw document dat de bedragen verschuldigd bij toepassing van §§ 1 en 2 omstandig omschrijft en verklaart, moet ten hoogste drie keer per jaar gratis worden ter beschikking gesteld aan de consument die hierom vraagt.

De Koning kan bepalen welke vermeldingen dat document moet bevatten en kan een afrekeningsmodel opleggen.

§ 5.Bij ontbinding of bij verval van de termijnbepaling van de kredietovereenkomst bedoeld in artikel VII.138, § 1, wordt, in afwijking van artikel 5.210 van het Burgerlijk Wetboek, iedere betaling gedaan door de consument, de borg of de steller van een persoonlijke zekerheid, eerst toegerekend op het bedrag van de nalatigheidsintresten of andere straffen en schadevergoedingen nadat het verschuldigd blijvende saldo en de totale kosten van het krediet voor de consument zijn betaald.

§ 6.Verboden is en als niet geschreven wordt beschouwd elk beding dat, ingeval de consument zijn verbintenissen niet uitvoert, straffen of schadevergoedingen oplegt waarin dit boek niet voorziet.

Art. VII.147/23

§ 1.Bij ontbinding van een hypothecair krediet met onroerende bestemming of bij verval van de termijnbepaling opgenomen in deze kredietovereenkomst wegens de niet-uitvoering door de consument van zijn verbintenissen mag aan de consument geen andere betaling gevraagd worden dan die hieronder vermeld:

-het verschuldigd blijvende saldo;

-de nalatigheidsintresten die eisbaar zijn geworden overeenkomstig § 2;

-de vervallen en niet betaalde intresten en kosten die eisbaar zijn geworden overeenkomstig § 2;

-een schadevergoeding ten hoogste gelijk aan de wederbeleggingsvergoeding, bedoeld in artikel VII 147/12, § 1, berekend op het verschuldigd blijvend saldo.

§ 2.Bij eenvoudige betalingsachterstand van een hypothecair krediet met een onroerende bestemming die geen ontbinding van de overeenkomst noch een verval van de termijnbepaling met zich brengt, mag aan de consument geen andere betaling gevraagd worden dan die hieronder vermeld:

1°het vervallen en niet-betaalde kapitaal;

2°de vervallen en niet betaalde intresten en kosten;

3°nalatigheidsintresten ten belope van 0,5 % op jaarbasis en berekend als volgt:

a)bij niet betaling van de intresten op de vervaldag: het verschuldigd blijvend saldo op het tijdstip van de wanbetaling vermenigvuldigd met de periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet van 0,5 %;

b)op het onbetaalde kapitaal kan een nalatigheidsintrest pro rata temporis worden aangerekend berekend aan de periodieke rentevoet van het krediet, vermeerderd met een periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet van 0,5 %. Deze verwijlintresten lopen dan vanaf de datum van wanbetaling, tot de effectieve terugbetaling;

4°de overeengekomen kosten voor de maanbrieven en de brieven voor ingebrekestelling, a rato van één verzending per maand. Deze kosten bestaan uit een forfaitair maximumbedrag van 7,50 euro, vermeerderd met de op het ogenblik van de verzending geldende portokosten. De Koning kan dat forfaitair bedrag aanpassen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.

§ 3.Elke betaling gevraagd overeenkomstig de §§ 1 en 2 moet omstandig omschreven en verklaard worden in een document dat gratis aan de consument overhandigd wordt.

Een nieuw document dat de bedragen verschuldigd bij toepassing van §§ 1 en 2 omstandig omschrijft en verklaart, moet ten hoogste drie keer per jaar gratis worden ter beschikking gesteld aan de consument die hierom vraagt.

De Koning kan bepalen welke vermeldingen dat document moet bevatten en kan een afrekeningsmodel opleggen.

§ 4.Verboden is en als niet geschreven wordt beschouwd elk beding dat, ingeval de consument zijn verbintenissen niet uitvoert, straffen of schadevergoedingen oplegt waarin dit boek niet voorziet.