Alle wetboeken › WER

BOEK VII - BETALINGS- EN KREDIETDIENSTEN. › TITEL 3 Betalingsdiensten. › HOOFDSTUK 3 - Rechten en plichten met betrekking tot het aanbieden en het gebruik van betalingsdiensten

Afdeling 1 - Algemene regels

VII.29–VII.31

Art. VII.29

Wanneer de betalingsdienstgebruiker geen consument is, kunnen partijen overeenkomen dat de artikelen VII.30, § 1, VII.32, § 3, VII.33, VII.42, VII.44, VII.46 en VII.47, VII.50, VII.55/3 tot VII.55/7, in het geheel of ten dele niet van toepassing zijn. Partijen kunnen ook een andere termijn overeenkomen dan die welke is bepaald in artikel VII.41.

Art. VII.30

§ 1.De betalingsdienstaanbieder mag uit hoofde van de artikelen VII.32 tot VII.55/9 en VII.55/13 tot VII.56 en behoudens andersluidende bepaling, de betalingsdienstgebruiker geen kosten aanrekenen voor het vervullen van zijn verplichtingen.

In afwijking van het voorgaande lid, kan de betalingsdienstaanbieder kosten aanrekenen in de gevallen bedoeld in de artikelen VII.49, § 1, VII.50, vijfde lid, of VII.55/2, § 4, voor zover dit in het raamcontract werd overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder en in de mate dat de aan te rekenen kosten passend zijn en in overeenstemming met de kosten die de betalingsdienstaanbieder feitelijk gedragen heeft.

§ 2.Voor betalingstransacties die binnen de Europese Unie worden verricht, waarbij de betalingsdienstaanbieders van zowel de betaler als de begunstigde, of de enige bij de betalingstransactie betrokken betalingsdienstaanbieder, zich binnen de Unie bevinden, betalen de begunstigde en de betaler elk voor zich de kosten die hun respectieve betalingsdienstaanbieder in rekening brengt.

§ 3.Het is de begunstigde verboden om aan de betaler een vergoeding te vragen voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument en voor betalingsdiensten waarop verordening (EU) 260/2012 van toepassing is.

§ 4.De Koning kan ook, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, maxima bepalen voor de vergoedingen, ongeacht de benaming of de vorm, die door de betalingsdienstaanbieder aan de begunstigde worden aangerekend voor de terbeschikkingstelling van uitrusting die het verstrekken van betalingsdiensten verbonden met een betaalinstrument vergemakkelijken.

Art. VII.31

§ 1.Met betrekking tot betaalinstrumenten die overeenkomstig het raamcontract uitsluitend worden gebruikt voor afzonderlijke betalingstransacties van maximaal 30 euro ofwel een uitgavenlimiet van 150 euro hebben of waarop maximaal een bedrag van 150 euro tegelijk kan worden opgeslagen, kunnen betalingsdienstaanbieders met hun betalingsdienstgebruikers overeenkomen dat:

1°de artikelen VII.38, § 1, 2°, VII.39, 3° en 4°, en VII.44, § 3, niet van toepassing zijn als het betaalinstrument niet kan worden geblokkeerd of verder gebruik ervan niet kan worden voorkomen;

2°de artikelen VII.42, VII.43, en VII.44, § 1, eerste en vierde lid, niet van toepassing zijn als het betaalinstrument anoniem wordt gebruikt of de betalingsdienstaanbieder om andere redenen inherent aan het betaalinstrument niet het bewijs kan leveren dat de betalingstransactie is toegestaan;

3°in afwijking van artikel VII.49, § 1, de betalingsdienstaanbieder niet verplicht is de betalingsdienstgebruiker in kennis te stellen van de weigering van een betalingsopdracht als uit de context duidelijk blijkt dat de opdracht niet is uitgevoerd;

4°in afwijking van artikel VII.50 de betaler de betalingsopdracht niet kan herroepen, nadat hij de betalingsopdracht heeft overgemaakt of de begunstigde heeft ingestemd met de uitvoering van de betalingstransactie;

5°in afwijking van de artikelen VII.53 en VII.54, andere uitvoeringstermijnen worden toegepast.

§ 2.Voor binnenlandse betalingstransacties kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in paragraaf 1, eerste lid, genoemde bedragen verlagen of verdubbelen, en voor voorafbetaalde betaalinstrumenten verhogen tot 500 euro.

§ 3.De artikelen VII.43 en VII.44 zijn ook van toepassing op elektronisch geld, tenzij de betalingsdienstaanbieder van de betaler niet de mogelijkheid heeft de betaalrekening waarop het elektronisch geld is opgeslagen te blokkeren of het betaalinstrument te blokkeren, en de rekening waarop het elektronisch geld opgeslagen is of het instrument voldoet aan de gebruiksvoorwaarden zoals bedoeld in de inleidende bepaling van paragraaf 1.

§ 4.De Koning kan de afwijking van de toepassing van de artikelen VII. 43 en VII. 44 beperken tot betaalrekeningen waarop het elektronisch geld is opgeslagen, of tot betaalinstrumenten met een bepaalde waarde.