Alle wetboeken › WER

Boek VI Marktpraktijken en consumentenbescherming › TITEL 4 - Verboden praktijken

HOOFDSTUK 2 Oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen

VI.103/1–VI.109/8

Art. VI.103/1

Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient onder "besluit over een transactie" begrepen te worden: elk besluit van een onderneming over de vraag of, en desgevallend onder welke voorwaarden zij een overeenkomst sluit, verderzet of ervan afziet, geheel of gedeeltelijk betaalt, of een contractueel recht uitoefent in verband met een product, ongeacht of deze al dan niet tot handelen overgaat.

Art. VI.104

Verboden is elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden.

Art. VI.104/1

Zijn in het bijzonder oneerlijk in de zin van artikel VI.104, de marktpraktijken van ondernemingen jegens andere ondernemingen die:

1°misleidend zijn in de zin van artikelen VI.105 tot VI.109;

2°agressief zijn in de zin van de artikelen VI.109/1 tot VI.109/3;

3°een daad in de hand werkt die als een overtreding van dit boek of als een inbreuk met toepassing van de artikelen XV.83 tot 86 en XV.126 moet worden beschouwd.

Art. VI.105

Als misleidend wordt beschouwd een marktpraktijk die gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust of, zelfs als de informatie feitelijk correct is, een onderneming op enigerlei wijze, inclusief door de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen ten aanzien van een of meer van de volgende elementen, en haar er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat zij anders niet had genomen:

1°het bestaan of de aard van het product;

2°de voornaamste kenmerken van het product, zoals beschikbaarheid, voordelen, risico's, uitvoering, samenstelling, accessoires, klantenservice en klachtenbehandeling, procédé en datum van fabricage of verrichting, levering, geschiktheid voor het gebruik, gebruiksmogelijkheden, hoeveelheid, specificatie, geografische of commerciële oorsprong, van het gebruik te verwachten resultaten, of de resultaten en wezenlijke kenmerken van op het product verrichte tests of controles;

3°de reikwijdte van de verplichtingen van de onderneming, de motieven voor de marktpraktijk en de aard van het verkoopproces, elke verklaring of symbool dat doet geloven dat de onderneming of het product sponsoring of directe of indirecte steun krijgt;

4°de prijs of de wijze waarop de prijs wordt berekend, of het bestaan van een specifiek prijsvoordeel;

5°de noodzaak van een dienst, onderdeel, vervanging of reparatie;

6°de hoedanigheid, kenmerken en rechten van de onderneming of haar tussenpersoon, zoals haar identiteit, vermogen, kwalificaties, status, erkenning, affiliatie, connecties, industriële, commerciële of intellectuele eigendomsrechten of haar bekroningen en onderscheidingen;

7°de rechten van de andere onderneming, of de risico's die zij eventueel loopt;

8°marketing van een product, onder andere door vergelijkende reclame, op zodanige wijze dat verwarring wordt geschapen met andere producten, handelsmerken, handelsnamen en andere onderscheidende kenmerken van een concurrent;

9°de niet-nakoming door de onderneming van verplichtingen die opgenomen zijn in een sectorale gedragscode waaraan zij zich heeft gebonden, voor zover het niet gaat om een intentieverklaring maar om een verplichting die verifieerbaar is;

10°het mededelen van afbrekende gegevens over een andere onderneming, haar goederen, diensten of activiteit.

Art. VI.105/1

Als misleidende omissie wordt beschouwd een marktpraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de andere onderneming, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en haar er toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat zij anders niet had genomen.

Als misleidende omissie wordt voorts beschouwd een marktpraktijk waarbij een onderneming essentiële informatie als bedoeld in het eerste lid, rekening houdend met de in die paragraaf geschetste details, verborgen houdt, op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laattijdig verstrekt, of het oogmerk, indien dit niet reeds duidelijk uit de context blijkt, niet laat blijken, en de andere onderneming er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat zij anders niet had genomen.

Indien het voor de marktpraktijk gebruikte medium beperkingen qua ruimte of tijd meebrengt, wordt bij de beoordeling of er informatie werd weggelaten met deze beperkingen rekening gehouden, alsook met maatregelen die de onderneming genomen heeft om de informatie langs andere wegen ter beschikking te stellen.

Art. VI.106

Onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen is verboden elke reclame van een onderneming die:

1°een factuur of gelijkaardig document waarbij om betaling wordt gevraagd, bevat, die of dat de indruk wekt dat het goed of de dienst reeds werd besteld, terwijl dat niet het geval is;

2°essentiële informatie over de gevolgen van het door de bestemmeling gegeven antwoord verborgen houdt of op weinig duidelijke wijze weergeeft, of die de eigenlijke commerciële bedoeling, wanneer die niet duidelijk blijkt uit de context, verborgen houdt of op weinig duidelijke wijze weergeeft.

Art. VI.107

Het is verboden voor een onderneming ofwel rechtstreeks, ofwel via een betalingsformulier, een bestelformulier, een factuur, een aanbod, algemene voorwaarden, een voorstel tot verbetering of elk ander soortgelijk document, adverteerders te werven om hen in gidsen, adressenbestanden, telefoonboeken of soortgelijke lijsten of bestanden op te nemen, zonder ondubbelzinnig aan te geven dat deze werving een aanbod van overeenkomst tegen betaling uitmaakt en zonder in het vet en in het grootste lettertype dat in het document wordt gebruikt de duur van de overeenkomst en de hieraan verbonden prijs te vermelden.

Art. VI.108

(Hernummerd in artikel VI.109/3 bij W 2019-04-04/53, art. 31, 2°, 080; Inwerkingtreding: 01-09-2019)

Art. VI.109

Het is verboden een piramidesysteem op te zetten, te beheren of te promoten waarbij een onderneming tegen betaling kans maakt op een vergoeding die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe ondernemingen in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van producten.

Art. VI.109/1

Als agressief wordt beschouwd een marktpraktijk die, in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, door intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de onderneming met betrekking tot het product aanzienlijk beperkt of kan beperken, waardoor zij ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht over een transactie een besluit te nemen dat zij anders niet had genomen.

Voor de toepassing van deze afdeling dient onder ongepaste beïnvloeding te worden verstaan: het uitbuiten door een onderneming van een machtspositie ten aanzien van de andere onderneming om, zelfs zonder gebruik van of dreiging met fysiek geweld, druk uit te oefenen op een wijze die haar vermogen om een geïnformeerd besluit te nemen, aanzienlijk beperkt.

Art. VI.109/2

Om te bepalen of er bij een marktpraktijk gebruik wordt gemaakt van intimidatie, dwang, inclusief lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, wordt rekening gehouden met:

1°het tijdstip, de plaats, de aard en de persistentie van de marktpraktijk;

2°het gebruik van dreigende of grove taal of gedragingen;

3°het bewust uitbuiten door de onderneming van bepaalde tegenslagen of omstandigheden die zo ernstig zijn dat zij het beoordelingsvermogen van de onderneming kunnen beperken, met het oogmerk haar besluit met betrekking tot het product te beïnvloeden;

4°door de onderneming opgelegde, kosten meebrengende of bovenmatige niet-contractuele belemmeringen ten aanzien van rechten die de andere onderneming uit hoofde van het contract wil uitoefenen, waaronder het recht om het contract te beëindigen of een ander product of een andere onderneming te kiezen;

5°het dreigen met maatregelen die wettelijk niet kunnen worden genomen;

6°de contractuele positie van een onderneming ten aanzien van de andere onderneming.

Art. VI.109/3

Oud Artikel VI.108 Het is verboden voor een onderneming om aan een andere persoon, zonder dat deze hierom eerst heeft verzocht, enig goed toe te zenden, met het verzoek dit tegen betaling van zijn prijs te verwerven, het te bewaren of het, zelfs kosteloos, aan de afzender terug te zenden.

Het is eveneens verboden voor een onderneming om aan een andere persoon, zonder dat deze hierom eerst heeft verzocht, enige dienst te verlenen met het verzoek die dienst, tegen betaling van zijn prijs, te aanvaarden.

...

In geen geval is de geadresseerde verplicht de verleende dienst of het toegezonden goed te betalen noch het terug te zenden. Het feit dat de geadresseerde niet reageert op de prestatie van de dienst of de levering van het goed betekent niet dat hij er mee instemt.

Art. VI.109/4

Onverminderd de toepassing van titel 3/1 van dit boek en van de afdelingen 1 tot 3 van dit hoofdstuk, zijn de in deze afdeling opgenomen bepalingen van toepassing op de verhoudingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, tussen enerzijds de afnemers en anderzijds de leveranciers waarvan de jaarlijkse omzet 350 000 000 euro niet overschrijdt.

De in het eerste lid bedoelde jaarlijkse omzet van leveranciers wordt begrepen overeenkomstig de desbetreffende delen van de bijlage bij aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, en met name de artikelen 3, 4 en 6, met inbegrip van de definities van "onafhankelijke onderneming", "partner-onderneming" en "verbonden onderneming", en andere met de jaarlijkse omzet verbonden kwesties.

De in het eerste lid vastgestelde maximale jaarlijkse omzet voor leveranciers geldt niet voor producentenorganisaties die erkend zijn krachtens artikel 152 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, en de krachtens artikel 156 van dezelfde Verordening erkende unies van producentenorganisaties.

Deze afdeling is van toepassing op verkopen waarbij de leverancier of de afnemer, of beide, in België gevestigd zijn.

Art. VI.109/5

Worden als oneerlijk beschouwd en verboden overeenkomstig artikel VI.109/8, de volgende marktpraktijken:

1°de afnemer betaalt de leverancier:

a)indien in de leveringsovereenkomst wordt bepaald dat de producten op regelmatige basis worden geleverd, later dan dertig dagen na het einde van een overeengekomen leveringstermijn waarbinnen leveringen zijn verricht, die niet langer dan één maand mag duren, of later dan dertig dagen na de datum waarop het te betalen bedrag voor die leveringstermijn is vastgesteld, naargelang welke datum later valt;

b)indien in de leveringsovereenkomst niet wordt bepaald dat de producten op regelmatige basis worden geleverd, later dan dertig dagen na de leveringsdatum of later dan dertig dagen na de datum waarop het te betalen bedrag is vastgesteld, naargelang welke datum later valt;

Indien de afnemer het te betalen bedrag vaststelt:

-gaan de in de bepaling onder a) bedoelde betalingstermijnen in vanaf het einde van een overeengekomen leveringstermijn waarbinnen de leveringen zijn verricht; en

-gaan de in de bepaling onder b) bedoelde betalingstermijnen in vanaf de leveringsdatum.

Deze bepaling geldt onverminderd:

-de gevolgen van betalingsachterstanden en rechtsmiddelen voorzien door de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties,

-de mogelijkheid voor een afnemer en een leverancier om een clausule betreffende waardeverdeling in de zin van artikel 172bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad overeen te komen.

Het in deze bepaling bedoelde verbod geldt niet voor betalingen:

-van een afnemer aan een leverancier, indien dergelijke betalingen worden gedaan in het kader van de schoolregeling op grond van artikel 23 van vernoemde Verordening (EU) nr. 1308/2013;

-van overheidsorganisaties die gezondheidszorg verstrekken in de zin van artikel 4, § 2, derde lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties;

-die worden gedaan krachtens leveringsovereenkomsten tussen leveranciers van druiven of most voor wijnbereiding en hun directe afnemers, op voorwaarde:

i)dat de specifieke betalingsvoorwaarden voor de verkooptransacties worden opgenomen in standaardcontracten die op grond van artikel 164 van vernoemde Verordening (EU) nr. 1308/2013 vóór 1 januari 2019 verbindend zijn verklaard door de lidstaten, en dat die uitbreiding van de standaardcontracten vanaf die datum door de lidstaten wordt verlengd zonder significante wijzigingen van de betalingsvoorwaarden ten nadele van leverancier van landbouw- en voedingsproducten van druiven of most, en

ii) dat de leveringsovereenkomsten tussen leveranciers van druiven of most voor wijnbereiding en hun directe afnemers meerjarig zijn of meerjarig worden;

2°de afnemer annuleert een bestelling van landbouw- en voedingsproducten op zodanig korte termijn dat niet redelijkerwijs kan worden verwacht dat de leverancier een alternatief kan vinden voor het verhandelen of het gebruik van die producten. Een termijn van minder dan dertig dagen wordt altijd als een te korte termijn beschouwd.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op de gemeenschappelijke voordracht van de ministers bevoegd voor Economie, Middenstand en Landbouw, termijnen van minder dan dertig dagen vaststellen voor de sectoren die Hij bepaalt;

3°de afnemer wijzigt eenzijdig de voorwaarden van een leveringsovereenkomst voor landbouw- en voedingsproducten die verband houden met de frequentie, de methode, de plaats, de timing of het volume van de bevoorrading of de levering van de landbouw- en voedingsproducten, de kwaliteitsnormen, de betalingsvoorwaarden of de prijzen, of met de verlening van diensten, voor zover die uitdrukkelijk worden vermeld in artikel VI.109/6;

4°de afnemer verlangt van de leverancier dat hij betalingen doet die geen verband houden met de verkoop van de landbouw- en voedingsproducten van de leverancier;

5°de afnemer verlangt van de leverancier dat hij betaalt voor het bederf of verlies, of beide, van landbouw- en voedingsproducten, dat zich voordoet bij de afnemer of nadat de eigendom is overgedragen aan de afnemer, en dat niet aan nalatigheid of fout van de leverancier is toe te schrijven;

6°de afnemer weigert om de voorwaarden van een leveringsovereenkomst tussen de afnemer en de leverancier schriftelijk te bevestigen, ook al heeft de leverancier om een schriftelijke bevestiging verzocht.

Deze bepaling geldt niet wanneer de leveringsovereenkomst betrekking heeft op producten die door een lid van een producentenorganisatie, met inbegrip van een coöperatie, moeten worden geleverd aan de producentenorganisatie waarbij de leverancier is aangesloten, op voorwaarde dat in de statuten van die producentenorganisatie of in de bij deze statuten vastgestelde of daaruit voortvloeiende voorschriften en besluiten bepalingen zijn opgenomen van vergelijkbare strekking als de voorwaarden van de leveringsovereenkomst;

7°de afnemer verkrijgt onrechtmatig bedrijfsgeheimen van de leverancier, gebruikt deze onrechtmatig of maakt deze onrechtmatig openbaar, in de zin van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen;

8°de afnemer dreigt met of gaat over tot commerciële vergeldingsmaatregelen tegen de leverancier indien de leverancier zijn contractuele of wettelijke rechten uitoefent, met inbegrip van de indiening van een klacht bij de handhavingsautoriteiten of de samenwerking met de handhavingsautoriteiten tijdens een onderzoek;

9°de afnemer verlangt van de leverancier een vergoeding voor de kosten die gepaard gaan met het onderzoeken van klachten van klanten in verband met de verkoop van de producten van de leverancier, ondanks het ontbreken van nalatigheid of schuld van de leverancier.

Art. VI.109/6

Worden als oneerlijk beschouwd, tenzij zij eerder op duidelijke en ondubbelzinnige wijze zijn overeengekomen in de leveringsovereenkomst of in een daaropvolgende overeenkomst tussen de leverancier en de afnemer, de volgende marktpraktijken:

1°de afnemer retourneert onverkochte landbouw- en voedingsproducten aan de leverancier zonder betaling voor die onverkochte producten of zonder betaling voor de verwijdering van die producten;

2°van de leverancier wordt een vergoeding verlangd voor de opslag, de uitstalling of de opname in het assortiment van zijn landbouw- en voedingsproducten, of voor het op de markt aanbieden van dergelijke producten;

3°de afnemer verlangt van de leverancier dat hij alle of een deel van de kosten draagt van kortingen voor landbouw- en voedingsproducten die in het kader van een promotieactie door de afnemer zijn verkocht.

Een dergelijke praktijk wordt echter niet oneerlijk geacht indien de afnemer vóór een promotieactie op zijn eigen initiatief de periode waarin de promotie plaatsvindt en de verwachte hoeveelheid landbouw- en voedingsproducten die zal worden besteld tegen de na aftrek van de korting verkregen prijs, specificeert.

De afnemer verstrekt voorafgaand aan elke promotionele actie een schriftelijke raming van het door de leverancier te betalen bedrag en/of de elementen waarop deze raming is gebaseerd.

De leverancier gaat uitdrukkelijk akkoord met deze kosten. Is dit niet het geval, dan dient hij deze niet te dragen;

4°de afnemer verlangt van de leverancier dat hij betaalt voor het maken van reclame voor landbouw- en voedingsproducten door de afnemer;

5°de afnemer verlangt van de leverancier dat hij betaalt voor de marketing van landbouw- en voedingsproducten door de afnemer;

6°de afnemer verlangt van de leverancier dat hij personeel betaalt voor de inrichting van de ruimten die voor de verkoop van de producten van deze leverancier worden gebruikt.

Indien door de afnemer een vergoeding voor de in het eerste lid onder 2°, 3°, 4°, 5° en 6°, omschreven situaties wordt verlangd, dan verstrekt de afnemer de leverancier een schriftelijke raming van het te betalen bedrag, per stuk of in totaal naargelang wat passend is, alsmede voor zover het gaat om de situaties als bedoeld in het eerste lid onder 2°, 4°, 5°, of 6°, een schriftelijke raming van de kosten voor de leverancier en van de elementen waarop die raming is gebaseerd.

Art. VI.109/7

Teneinde de eerlijkheid van de handelsrelaties tussen de actoren van de landbouw- en voedselvoorzieningsketen te verzekeren kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op de gemeenschappelijke voordracht van de ministers bevoegd voor Economie, Middenstand en Landbouw, de artikelen VI.109/5 en VI.109/6 wijzigen of aanvullen.

Alvorens een besluit ter uitvoering van het eerste lid voor te stellen, raadpleegt de minister de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de kmo en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en bepaalt de redelijke termijn waarbinnen het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies niet meer vereist.

Art. VI.109/8

De oneerlijke marktpraktijken tussen een afnemer en een leverancier zijn verboden.

Contractuele bedingen die oneerlijke marktpraktijken tussen een afnemer en een leverancier tot gevolg hebben, zijn verboden en nietig. De overeenkomst blijft bindend voor de partijen indien ze zonder de verboden contractuele bedingen kan voortbestaan.