§ 1.Het standpunt van de doelvennootschap over het bod, bedoeld in artikel 24, § 1, 3°, van de wet, bevat een met redenen omklede toelichting van:
1°de gevolgen van de uitvoering van het bod rekening houdend met het geheel van de belangen van de vennootschap, van de effectenhouders, van de schuldeisers en van de werknemers met inbegrip van de werkgelegenheid;
2°de visie van het bestuursorgaan op de strategische plannen van de bieder voor de doelvennootschap en hun vermoedelijke gevolgen voor haar resultaten, en voor de werkgelegenheid en de vestigingsplaatsen zoals deze in het prospectus zijn vermeld;
3°de visie van het bestuursorgaan op de opportuniteit voorde effectenhouders om de effecten in hun bezit over te dragen aan de bieder in het kader van het bod.
Wanneer de leden van het bestuursorgaan geen eensgezinde stelling innemen, vermeldt het standpunt de verschillende stellingnames van de leden, met aanduiding van de leden die als onafhankelijke bestuurders worden beschouwd en van de leden die in feite bepaalde effectenhouders vertegenwoordigen.
§ 2.Het standpunt vermeldt hoeveel effecten met stemrecht of die toegang geven tot stemrecht in het bezit zijn van de leden van het bestuursorgaan of van de personen die zij in feite vertegenwoordigen.
Het standpunt geeft aan of de leden van het bestuursorgaan, in hun hoedanigheid van effectenhouders, de effecten in hun bezit aan de bieder in het kader van het bod zullen overdragen. De leden van het bestuursorgaan verstrekken dezelfde gegevens voor de effectenhouders die zij in feite vertegenwoordigen; deze effectenhouders verstrekken de gegevens op eenvoudig verzoek van het lid van het bestuursorgaan dat hen in feite vertegenwoordigt.
Wanneer de leden van het bestuursorgaan of de effectenhouders die zij in feite vertegenwoordigen, geen eensgezinde stelling innemen omtrent hun voornemen om de effecten in hun bezit al dan niet over te dragen in het kader van het bod, vermeldt het standpunt de verschillende stellingnames van de leden, met aanduiding van de leden die als onafhankelijke bestuurders worden beschouwd en van de leden die in feite bepaalde effectenhouders vertegenwoordigen.
Indien de stelling van leden van het bestuursorgaan of van effectenhouders die zij in feite vertegenwoordigen, omtrent hun voornemen om de effecten in hun bezit al dan niet over te dragen in het kader van het bod niet overeenstemt met de visiebedoeld in § 1, eerste lid, 3°, of, in voorkomend geval, met hun afwijkende stellingname als bedoeld in § 1, tweede lid, dienen de betrokken leden de reden daarvoor uiteen te zetten.
Indien, na de goedkeuring van de memorie van antwoord, de in het eerste lid bedoelde personen hun voornemen wijzigen om de effecten in hun bezit al dan niet aan de bieder in het kader van het bod over te dragen, dienen zij dit mee te delen aan het bestuursorgaan van de doelvennootschap. Het bestuursorgaan stelt dienaangaande een aanvulling bij de memorie van antwoord op en legt deze ter goedkeuring voor aan de FSMA.
De leden van het bestuursorgaan en de effectenhouders die zij in feite vertegenwoordigen moeten handelen overeenkomstig de aanwijzingen die ze hebben verstrekt in de goedgekeurde memorie van antwoord of aanvulling van dit document.
§ 3.Indien de statuten van de doelvennootschap goedkeuringsclausules of rechten van voorkoop bevatten, geeft het bestuursorgaan aan:
1°of deze clausules en rechten gelden ten aanzien van de bieder, gelet op de statutaire bepalingen die de doelvennootschap in voorkomend geval, met toepassing van de artikelen 46 en 47 van de wet, heeft vastgesteld;
2°zo deze clausules of rechten gelden ten aanzien van de bieder, of het bestuursorgaan goedkeuring zal verlenen of weigeren en of het de toepassing van de rechten van voorkoop zal vragen. Het bestuursorgaan kan zich ook de mogelijkheid voorbehouden goedkeuring te weigeren dan wel de rechten van voorkoop toe te passen.