Alle wetboeken › Sw. 2024

Boek II De gemeenrechtelijke misdrijven en hun straffen › Titel 3 Misdrijven tegen de persoon

Hoofdstuk 1 Misdrijven tegen het leven

96–111

Art. 96

Doodslag

Doodslag is het doden van een ander persoon met het oogmerk om hem te doden.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 7.

De rechter kan geen straf onder elektronisch toezicht, probatiestraf of werkstraf uitspreken in geval van poging van doodslag.

Art. 97

Moord is doodslag gepleegd met voorbedachtheid.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 8.

Art. 98

Doodslag gepleegd in het kader van een ander misdrijf

De doodslag gepleegd om het plegen van een ander misdrijf of de poging daartoe te vergemakkelijken of de straffeloosheid ervan te verzekeren, dan wel gepleegd als gevolg van de weerstand die werd geboden door het slachtoffer of een derde, wordt bestraft met een straf van niveau 8.

Art. 99

Doodslag gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer

De doodslag gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer wordt bestraft met een straf van niveau 8.

Art. 100

Doodslag gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand

De doodslag gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand wordt bestraft met een straf van niveau 8.

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, dan wel een bloed- of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont of heeft samengewoond.

Art. 101

Intrafamiliale doodslag

De doodslag gepleegd op een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen wordt bestraft met een straf van niveau 8.

Art. 102

Doodslag gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie

Doodslag gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie wordt bestraft met een straf van niveau 8 indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie.

Art. 103

Uitgelokte doodslag

De doodslag is uitgelokt indien deze werd gepleegd onder de onmiddellijke invloed van opzettelijk gepleegd, onrechtmatig, ernstig en ogenblikkelijk fysiek of psychisch geweld tegen zijn persoon of tegen een derde.

Indien de doodslag werd uitgelokt, wordt de op het misdrijf gestelde straf vervangen door een straf van niveau 3.

Art. 104

Bijkomende straf

Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter bij de veroordeling voor een misdrijf omschreven onder deze afdeling, met uitzondering van de uitgelokte doodslag, ook de bekendmaking van de beslissing houdende veroordeling uitspreken.

Art. 105

Verzwarende factoren

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging het feit dat:

1°de dader een bloedverwant in de zijlijn tot de derde graad is van het slachtoffer of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont;

2°het misdrijf werd gepleegd op een scheidsrechter of seingever bij een sportwedstrijd, indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie;

3°het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie, in het kader van de uitoefening van deze functie;

4°het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige;

5°het misdrijf werd gepleegd door twee of meer personen...;

6°het misdrijf werd gepleegd met behulp van of onder bedreiging van een wapen;

7°het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".

Art. 106

Doden door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid

Het doden door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid wordt bestraft met een straf van niveau 2.

Art. 107

Doding in het verkeer

Het doden door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid in het kader van het deelnemen aan het verkeer wordt bestraft met een straf van niveau 3.

Art. 107/1

Verzwaarde doding in het verkeer

Het doden door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid in het kader van het deelnemen aan het verkeer wordt bestraft met een straf van niveau 4 indien:

1°de bestuurder een overtreding van de vierde graad begaat zoals bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer;

2°de bestuurder door het rode licht rijdt;

3°de bestuurder rijdt terwijl hij een mobiel elektronisch apparaat met een scherm vasthoudt of manipuleert, tenzij het in een daartoe bestemde houder aan het voertuig bevestigd is;

4°de bestuurder de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 40 kilometer per uur of de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur binnen een bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, erf of woonerf overschrijdt;

5°de bestuurder geen houder is van het bij wet of verordening vereiste rijbewijs of zijn rijbewijs werd ingetrokken, ongeldig verklaard, geschorst of ingehouden;

6°de bestuurder rijdt in staat van dronkenschap of in een soortgelijke staat als gevolg van substanties die de alertheid achter het stuur verminderen;

7°de geldigheid van het rijbewijs van de bestuurder beperkt is tot motorvoertuigen die uitgerust zijn met een alcoholslot en de bestuurder een motorvoertuig bestuurt dat niet uitgerust is met een alcoholslot.

De in de bepaling onder 5° bedoelde omstandigheid is niet van toepassing op de bestuurder die houder is van een rijbewijs waarvan de administratieve geldigheidsduur minder dan een jaar is verstreken.

In afwijking van artikel 52, § 1, tweede lid, bedraagt de geldboete ten hoogste zestienduizend euro.

Art. 108

Verzwarende factor

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor de in de artikelen 106 tot 107/1 bedoelde misdrijven neemt de rechter in overweging dat het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige.

Art. 109

Aanzetting tot zelfdoding

Aanzetting tot zelfdoding is het opzettelijk stellen van een handeling die van aard is om een persoon ertoe te brengen zichzelf van het leven te beroven. De aanzetting tot zelfdoding is slechts strafbaar indien zij een zelfdoding door het slachtoffer of een poging daartoe tot gevolg heeft.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.

Art. 110

Verzwaarde aanzetting tot zelfdoding

Aanzetting tot zelfdoding wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer:

1°de feiten gepleegd zijn op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand;

2°de feiten gepleegd zijn vanuit een discriminerende drijfveer;

3°de dader de partner of een bloedverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn is van het slachtoffer.

Art. 111

Verzwarende factoren

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging:

1°het feit dat de dader een bloedverwant in de zijlijn tot de derde graad is van het slachtoffer of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont;

2°indien het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is, het feit dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont;

3°het feit dat het misdrijf werd gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie, indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie;

4°het feit dat het misdrijf werd gepleegd op een scheidsrechter of seingever bij een sportwedstrijd, indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie;

5°het feit dat het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige;

6°het feit dat het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".