Alle wetboeken › Sw. 2024

Boek II De gemeenrechtelijke misdrijven en hun straffen › Titel 3 Misdrijven tegen de persoon

Hoofdstuk 2 Foltering, onmenselijke behandeling en onterende behandeling

112–131

Art. 112

Foltering

Foltering is elke opzettelijke gedraging waarmee hevige pijn of ernstig en vreselijk lichamelijk of geestelijk lijden wordt veroorzaakt bij een persoon, onder meer om van hem of van derde inlichtingen te verkrijgen of bekentenissen af te dwingen of om hem of derden te straffen, of om druk op hem of op derden uit te oefenen, of hem of derden te intimideren, dan wel om eender welke reden van discriminatoire aard.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.

Art. 113

Foltering met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg

De foltering die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 5.

Art. 114

Foltering door een persoon met een openbare functie

De foltering gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie, wordt bestraft met een straf van niveau 5.

Art. 115

Foltering van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand

De foltering van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand wordt bestraft met een straf van niveau 5.

Indien de foltering van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt dit bestraft met een straf van niveau 6.

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij de partner is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont.

Art. 116

Foltering van een persoon met een maatschappelijke functie

Foltering gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie wordt bestraft met een straf van niveau 6 indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie.

Art. 117

Intrafamiliale foltering

De foltering van een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen wordt bestraft met een straf van niveau 5.

Indien de foltering zoals gedefinieerd in het eerste lid een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 6.

Art. 118

Foltering met de dood tot gevolg

De foltering die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 7.

Art. 119

Uitsluiting van rechtvaardigingsgronden

De foltering kan door geen enkele rechtvaardigingsgrond worden gerechtvaardigd.

Art. 120

Onmenselijke behandeling

Onmenselijke behandeling is elke opzettelijke gedraging waarmee ernstig geestelijk of lichamelijk leed wordt toegebracht.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.

Art. 121

Onmenselijke behandeling met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg

De onmenselijke behandeling die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 4.

Art. 122

Onmenselijke behandeling door een persoon met een openbare functie

De onmenselijke behandeling gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie, wordt bestraft met een straf van niveau 4.

Art. 123

Onmenselijke behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand

De onmenselijke behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand wordt bestraft met een straf van niveau 4.

Indien de onmenselijke behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt dit bestraft met een straf van niveau 5.

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij de partner is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont.

Art. 124

Onmenselijke behandeling van een persoon met een maatschappelijke functie

Onmenselijke behandeling gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie wordt bestraft met een straf van niveau 5 indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie.

Art. 125

Intrafamiliale onmenselijke behandeling

De onmenselijke behandeling van een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen wordt bestraft met een straf van niveau 4.

Indien de onmenselijke behandeling zoals gedefinieerd in het eerste lid een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt dit bestraft met een straf van niveau 5.

Art. 126

Onmenselijke behandeling met de dood tot gevolg

De onmenselijke behandeling die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 6.

Art. 127

Uitgesloten rechtvaardigingsgrond

De onmenselijke behandeling kan niet worden gerechtvaardigd door het bevel van de overheid.

Art. 128

Onterende behandeling

Onterende behandeling is het opzettelijk onderwerpen van een persoon aan een behandeling die in de ogen van het slachtoffer of van derden een ernstige krenking of aantasting van de menselijke waardigheid uitmaakt.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.

Art. 129

Onterende behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand

De onterende behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand wordt bestraft met een straf van niveau 3.

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij de partner is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont.

Art. 130

Intrafamiliale onterende behandeling

De onterende behandeling van een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen wordt bestraft met een straf van niveau 3.

Art. 131

Verzwarende factoren

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in dit hoofdstuk neemt de rechter in overweging het feit dat:

1°het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige;

2°het misdrijf werd gepleegd door twee of meer personen...;

3°het misdrijf werd gepleegd met behulp van of onder bedreiging van een wapen;

4°het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".