Alle wetboeken › Sw. 2024

Boek 1 Algemene regels van het strafrecht

Hoofdstuk 2 Misdrijf

5–15

Art. 5

Bestanddelen van het misdrijf

Er is slechts een misdrijf indien een materieel bestanddeel en een moreel bestanddeel aanwezig zijn.

De gedraging wordt geacht wederrechtelijk te zijn wanneer het materieel en het moreel bestanddeel vervuld zijn.

De wet kan eveneens voorzien in verzwarende bestanddelen.

Art. 6

Materieel bestanddeel

Elk misdrijf vereist het bestaan van een materieel bestanddeel. Dit bestanddeel bestaat uit een handeling of een nalaten.

Art. 7

Moreel bestanddeel

§ 1.Elk misdrijf vereist het bestaan van een moreel bestanddeel bij de dader. Dit moreel bestanddeel houdt voor alle misdrijven in, het in staat zijn bewust en uit vrije wil te handelen.

Het in staat zijn van de dader om bewust en uit vrije wil te handelen, wordt vermoed zolang dit het bestaan van een schuldontheffingsgrond, zoals bedoeld in artikel 21, niet aannemelijk maakt.

Naast de vereisten bedoeld in het eerste lid kan de wet voor een bepaald misdrijf volgende bijkomende vereisten stellen opdat aan het moreel bestanddeel zou zijn voldaan:

1°opzet, voor de opzettelijke misdrijven;

2°zware fout, voor de onopzettelijke misdrijven.

§ 2.Het opzet kan bestaan uit een algemeen opzet of een bijzonder opzet.

Het algemeen opzet bestaat uit het voornemen om met kennis van zaken het door de wet strafbaar gestelde gedrag aan te nemen. Er is sprake van het met kennis van zaken aannemen van het gedrag indien een persoon zich er bewust van is dat een omstandigheid bestaat of kan bestaan in de normale gang van zaken of dat een gevolg zich zal voordoen of zou kunnen voordoen binnen het normale verloop van de gebeurtenissen.

Het bijzonder opzet bestaat, naast de vereisten gesteld aan het algemeen opzet, uit het voornemen om het door de wet bepaalde resultaat te bereiken of uit een door de wet bepaalde bijzondere geestesgesteldheid bij de dader. Indien het bijzonder opzet bestaat uit het voornemen om een bepaald resultaat te bereiken, wordt dit resultaat geacht te zijn nagestreefd door de dader wanneer hij dit resultaat als doel van zijn gedrag had of wanneer hij dit heeft aanvaard als een gevolg dat zich zou voordoen binnen het normale verloop van de gebeurtenissen.

§ 3.De zware fout bestaat uit een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid.

Art. 8

Verzwarend bestanddeel

De wet kan voorzien in elementen, verzwarende bestanddelen genoemd, die tot gevolg hebben dat het misdrijf met een straf van één of meer niveaus hoger wordt bestraft.

Art. 9

Strafbare poging

§ 1.De poging tot misdrijf is strafbaar wanneer het crimineel voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.

Wie terugtreedt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil, is niet strafbaar. De vrijwillige terugtred werkt enkel door naar de deelnemer indien wat hem betreft aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan.

De poging is altijd strafbaar voor de opzettelijke misdrijven.

De strafbare poging wordt bestraft met een straf van het onmiddellijk lagere strafniveau dan datgene gesteld op het voltooide misdrijf.

De strafbare poging van een misdrijf waarop in de wet op het voltooide misdrijf een straf van niveau 1 is gesteld, wordt bestraft met dezelfde straf of, wanneer de wet voorziet in een bijkomende straf en de rechter oordeelt dat dit een gepaste straf is, met een bijkomende straf die wordt uitgesproken in plaats van de hoofdstraf.

§ 2.Wordt bestraft met een straf die twee niveaus lager is dan het niveau gesteld op het voltooid misdrijf, de persoon die op vasthoudende en zekere wijze voorstelt, aanbiedt of aanzet een misdrijf te plegen waarop in de wet een straf van niveau 5 of hoger is gesteld en hij die een dergelijk voorstel, aanbod of aanzetting heeft aanvaard, terwijl dit geen uitwerking heeft gehad wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.

Art. 10

Rechtvaardigingsgronden

Rechtvaardigingsgronden zijn door de wet bepaalde omstandigheden die de wederrechtelijkheid van de gestelde gedraging opheffen waardoor deze gedraging geoorloofd of gerechtvaardigd wordt.

De rechtvaardigingsgronden zijn:

1°het gebod of de toelating bij de wet;

2°het bevel van de overheid;

3°de noodtoestand;

4°de wettige verdediging;

5°het wettig verzet in geval van misbruik door de overheid.

Art. 11

Gebod of toelating bij de wet

Er is geen misdrijf wanneer het feit door de wet is opgelegd of toegelaten.

Art. 12

Bevel van de overheid

Er is geen misdrijf wanneer het feit door de overheid is bevolen overeenkomstig de wet.

Art. 13

Noodtoestand

Er is noodtoestand en dus geen misdrijf wanneer iemand enkel door het plegen van een als misdrijf omschreven feit een recht of een belang kan vrijwaren dat een ernstig en onmiddellijk gevaar loopt en waarvan de waarde hoger is dan de waarde van hetgeen door het als misdrijf omschreven feit wordt prijsgegeven.

De feiten worden niet gerechtvaardigd indien de betrokkene de aangevoerde noodtoestand zelf opzettelijk heeft doen ontstaan.

Art. 14

Wettige verdediging

Eigenrichting waarbij een misdrijf wordt gepleegd, is niet geoorloofd.

Er is evenwel wettige verdediging en dus geen misdrijf wanneer iemand, die niet in de mogelijkheid verkeert om een onrechtmatige, ernstige en ogenblikkelijke aanval tegen zijn persoon of tegen de persoon van een derde te ontwijken, anders dan door het als misdrijf omschreven feit te plegen, zich met de wil om deze aanval af te weren op een evenredige manier verweert.

Art. 15

Wettig verzet in geval van misbruik door de overheid

Er is geen misdrijf wanneer actief of passief verzet wordt geboden tegen een kennelijk onwettige daad van de overheid, die een onverwijlde reactie noodzakelijk maakt teneinde onherstelbare schade te voorkomen, en dit verzet wordt uitgeoefend op een manier die evenredig is met de aard en het belang van de onwettigheid.