§ 1.De aanwijzing van de leden van de Commissie voor advies in geval van tijdelijke tegemoetkoming voor het gebruik van een geneesmiddel gebeurt als volgt:
1°de twee werkende en twee plaatsvervangende leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen bedoeld in artikel 31ter, § 2, eerste lid, 7°, van de gecoördineerde wet worden aangewezen door de minister bevoegd voor Sociale Zaken op voorstel van het College van artsen-directeurs;
2°de twee werkende en twee plaatsvervangende leden bedoeld in artikel 31ter, § 2, eerste lid, 7°, van de gecoördineerde wet worden aangewezen door de minister bevoegd voor Volksgezondheid binnen het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, opgericht bij de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten;
3°de twee werkende en twee plaatsvervangende leden bedoeld in artikel 31ter, § 2, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wet worden aangewezen door de minister bevoegd voor Sociale Zaken op voorstel van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen, waarvan het ene onder de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen die in die Commissie zetelen en het andere hetzij de voorzitter van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen of aangewezen onder de deskundigen die werken in een universitaire instelling;
4°de twee werkende en twee plaatsvervangende leden van het personeel van het Instituut die werken voor de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen, bedoeld in artikel 31ter, § 2, eerste lid, 5°, van de gecoördineerde wet, worden aangewezen door de minister bevoegd voor Sociale Zaken;
5°één werkend en één plaatsvervangend personeelslid van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, bedoeld in artikel 31ter, § 2, eerste lid, 8°, van de gecoördineerde wet, worden aangewezen door de minister bevoegd voor Volksgezondheid;
6°een werkend en een plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van de representatieve beroepsorganisaties van de geneesmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 31ter, § 2, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet, worden aangewezen in onderling akkoord door de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor Volksgezondheid op voorstel van de representatieve beroepsorganisaties van de geneesmiddelenindustrie.
7°een werkend en een plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van de patiëntenverenigingen, bedoeld in artikel 31ter, § 2, eerste lid, 9°, van de gecoördineerde wet, worden aangewezen door de minister bevoegd voor Sociale Zaken, op voorstel van het patiëntenforum.
...
§ 2.Zodra het wordt ingelicht dat een aanvraag tot kaderbeslissing bedoeld in artikel 31quinquies, § 1, van de gecoördineerde wet in het kader van een vroege toegang of een aanvraag tot beslissing in het kader van een snelle toegang zou kunnen worden ingediend stelt het secretariaat van de Commissie een lijst op van drie deskundigen ad hoc, die wordt goedgekeurd door de voorzitter van de commissie.
...
Als de aanvraag effectief wordt ingediend vraagt het secretariaat aan de deskundigen die zijn opgenomen op de lijst of ze aanvaarden om deel te nemen aan de werkzaamheden van de commissie.
De deskundigen die aanvaarden om deel te nemen aan de werkzaamheden van de commissie hebben een raadgevende stem.
De deskundigen zijn ertoe gehouden de vastgestelde termijnen na te leven om hun rapport in te dienen en deel te nemen aan de vergaderingen waarvoor ze, in voorkomend geval, zouden worden opgeroepen. Bij niet naleving van deze bepaling en behoudens overmacht worden de deskundigen niet vergoed, ook niet voor eventueel reeds uitgevoerde prestaties.
§ 3.De leden van de Commissie en de deskundigen ad hoc maken aan het secretariaat een schriftelijke belangenverklaring over die de directe of indirecte belangen of banden aangeeft die zij kunnen hebben ten opzichte van de geneesmiddelenindustrie. Zij verbinden zich ertoe iedere wijziging in deze belangen of banden onmiddellijk mee te delen. De verklaringen van de leden van de Commissie worden jaarlijks hernieuwd.
De leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging oordeelt over eventuele belangenconflicten en beslist of de leden van de Commissie die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier al dan niet kunnen deelnemen aan de beraadslagingen en/of aan de stemming en of de deskundigen die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier kunnen belast worden met het evalueren van een dossier.
De overheid die het lid heeft aangewezen kan het ontheffen als wordt vastgesteld dat het een onjuiste verklaring heeft afgeleverd of dat zijn belangen niet verzoenbaar zijn met de uitoefening van de functie.