DEEL IV Burgerlijke rechtspleging (art. 664–1385octiesdecies) › BOEK II _ GEDING. › TITEL III _ Tussengeschillen en bewijs. › Eerste onderafdeling _ Vonnis waarbij getuigenverhoor wordt toegestaan.
Onderafdeling 8 _ Geldigheid van getuigenverhoor en bewijskracht van getuigenissen.
956–961
Art. 956
De nietigheid van een proceshandeling gaat niet over op het getuigenverhoor, tenzij dit verhoor zelf nietig is.
De nietigheid van het getuigenverhoor heeft geen nietigheid van de getuigenissen ten gevolge, indien deze niet aangetast zijn door een eigen gebrek.
Art. 957
De nietigheid van de rechtspleging, zelfs wegens onbevoegdheid van de rechter, heeft niet tot gevolg dat het getuigenverhoor dat op tegenspraak is gehouden tijdens deze rechtspleging, nietig is.
De nietigverklaring van de getuigenissen heeft niet tot gevolg dat het getuigenverhoor voor het overige nietig is.
Art. 958
De rechter kan in de loop van het getuigenverhoor zelfs ambtshalve voorzien in iedere nietigheid ten aanzien van vorm of inhoud waardoor een handeling in de verhoorprocedure is aangetast; hij kan met name een onregelmatig verhoor opnieuw beginnen of aanvullen.
Art. 959
Het geldige getuigenis kan in iedere rechtspleging tussen dezelfde partijen worden toegelaten als getuigenbewijs in de zin van artikel 8.28 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 960
Een getuigenis dat op tegenspraak tussen dezelfde partijen afgenomen is voor een Belgisch gerecht, opgenomen in de vorm zoals bij dat gerecht gebruikelijk is en niet aangetast door een nietigheid als vermeld in artikel 961, 1° tot 3°, kan als getuigenbewijs worden toegelaten.
Art. 961
Nietig is het getuigenis:
1°dat uitgaat van een persoon die onbekwaam is om in rechte te getuigen;
2°dat niet onder ede is afgenomen;
3°dat afgenomen is met miskenning van de rechten van de verdediging;
4°dat niet in het proces-verbaal opgenomen is in de vorm voorgeschreven bij artikel 939.