De partij die vraagt dat een getuige zal worden gehoord, is gehouden vóór dat verhoor een voorschot ten belope van het getuigengeld en van de terugbetaling der kosten aan de griffier in consignatie te geven. In de loop van het verhoor kan een aanvullend voorschot worden geëist, indien daartoe grond bestaat.
De partij die vraagt dat het verhoor woordelijk zal worden opgenomen, moet eveneens een voorschot storten in verhouding tot de kosten welke die opname medebrengt.
(De consignatie van het voorschot moet worden verricht door de partij die volgens bijzondere wetten of artikel 1017, tweede lid, steeds in de kosten wordt verwezen.)
Indien de partij nalaat het aldus vereiste voorschot te storten, wordt zij, naar gelang van het geval, geacht af te zien hetzij van het horen van de getuige, hetzij van de woordelijke opname van het verhoor.
Dit artikel is niet van toepassing wanneer de partij die een voorschot verschuldigd is, rechtbijstand geniet.