Afschriften van authentieke akten
§ 1.De afschriften van de authentieke akten zijn onderworpen aan de volgende regels.
Wanneer de oorspronkelijke akte niet meer bestaat, leveren de afschriften bewijs op naar de volgende onderscheidingen:
1°de grossen of eerste uitgiften hebben dezelfde bewijswaarde als het origineel.
Hetzelfde geldt voor gedematerialiseerde afschriften van notariële akten die zijn verleden overeenkomstig artikel 13, eerste lid, van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt en waarvan overeenkomstig artikel 18 van voormelde wet een afschrift bewaard wordt in de Notariële Aktebank.
Hetzelfde geldt eveneens voor afschriften die afgeleverd zijn door een rechter, overeenkomstig de artikelen 1372 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, in aanwezigheid van de partijen of na correcte oproeping ervan, of voor afschriften die afgeleverd zijn in tegenwoordigheid van de partijen en met hun wederzijdse toestemming;
2°de afschriften die, zonder dat een rechter optreedt of zonder toestemming van de partijen, en sinds het afgeven van de grossen of eerste uitgiften, volgens de minuut van de akte afgeleverd zijn door de notaris voor wie de akte is verleden, of door een van zijn opvolgers, of door openbare ambtenaren die in die hoedanigheid de minuten in bewaring hebben, kunnen, ingeval het origineel is verloren gegaan, bewijs opleveren, wanneer het oude afschriften zijn.
Zij worden als oude afschriften beschouwd, wanneer zij meer dan dertig jaar oud zijn.
Indien zij minder dan dertig jaar oud zijn, kunnen zij slechts dienen tot begin van bewijs door geschrift;
3°wanneer de afschriften van de minuut van de akte afgeleverd zijn door anderen dan de notaris voor wie de akte is verleden, of een van zijn opvolgers, of openbare of ministeriële ambtenaren die, in die hoedanigheid, de minuten in bewaring hebben, kunnen die afschriften, hoe oud zij ook zijn, slechts dienen tot begin van bewijs door geschrift;
4°afschriften van afschriften kunnen, naargelang van de omstandigheden, worden beschouwd als eenvoudige inlichtingen.
§ 2.De overschrijving van een akte in de openbare registers kan slechts dienen tot begin van bewijs door geschrift; en daartoe is zelfs vereist:
1°dat het vaststaat dat alle minuten van de notaris uit het jaar waarin de akte schijnt te zijn opgemaakt, verloren zijn, of dat men bewijst dat de minuut van die akte door een bijzonder voorval is verloren gegaan;
2°dat er een regelmatig gehouden repertorium van de notaris bestaat, waaruit blijkt dat de akte op dezelfde datum is opgemaakt.
Wanneer beide voorwaarden zijn vervuld, kan het bewijs van de inhoud van de akte geleverd worden met alle bewijsmiddelen. Als het bewijs door getuigen toelaatbaar is, is het noodzakelijk dat zij die bij de akte getuige zijn geweest, indien zij nog in leven zijn, gehoord worden.