Alle wetboeken › BW

BOEK 8 Bewijs

Hoofdstuk 3 Bewijsmiddelen

8.15–8.38

Art. 8.15

Drager van de authentieke akte

De authentieke akte mag op elke drager geplaatst worden, mits ze opgemaakt en bewaard wordt overeenkomstig de door de wet of de Koning, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde voorwaarden.

De notariële akten die in gedematerialiseerde vorm zijn verleden, worden evenwel opgemaakt en bewaard overeenkomstig de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt. De overeenkomstig dezelfde wet ingerichte Notariële Aktebank geldt als authentieke bron voor de akten die erin opgenomen zijn.

Onverminderd de in het tweede lid bedoelde voorwaarden is een gekwalificeerde elektronische handtekening zoals bedoeld in artikel 3, 12° van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG vereist voor de authentieke akten die door een openbare of ministeriële ambtenaar in gedematerialiseerde vorm zijn opgemaakt, verleden of betekend.

De hoedanigheid van de ondertekenaar dient steeds te kunnen worden gecontroleerd aan de hand van een bij wet bepaalde authentieke gegevensbank.

Art. 8.16

Onregelmatige authentieke akte

Een akte die, uit hoofde van onbevoegdheid of onbekwaamheid van de openbare of ministeriële ambtenaar of uit hoofde van een gebrek in de vorm, geen authentieke akte is, geldt als onderhandse akte indien zij door de partij of partijen ondertekend is.

Art. 8.17

Wettelijke bewijswaarde van de authentieke akte

Een authentieke akte levert tot betichting van valsheid een bewijs op van wat de openbare of ministeriële ambtenaar persoonlijk heeft verricht of vastgesteld, zonder dat het voor partijen mogelijk is om daarvan af te wijken. Iedere overeenkomst die afwijkt van deze regel is nietig.

In geval van betichting van valsheid kan de rechter de uitvoering van de akte schorsen.

Een authentieke akte levert een volledig bewijs op van de overeenkomst die erin is vervat tussen de partijen en ten aanzien van hun erfgenamen en rechtverkrijgenden.

Art. 8.18

Wettelijke bewijswaarde van de onderhandse akte

Een onderhandse akte levert een bewijs op van de overeenkomst die erin is vervat tussen de ondertekenaars van de akte en ten aanzien van hun erfgenamen en rechtverkrijgenden.

Art. 8.19

Ontkenning van handschrift of handtekening

Tenzij de wet anders bepaalt, kan de partij tegen wie men zich erop beroept, haar handschrift of haar handtekening evenwel ontkennen. De erfgenamen of rechtverkrijgenden van een partij kunnen het handschrift of de handtekening van hun rechtsvoorganger eveneens ontkennen of verklaren dat zij dat handschrift of die handtekening niet kennen. In die gevallen moet de echtheid van het handschrift worden onderzocht, zulks overeenkomstig de artikelen 883 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 8.20

Vereist aantal originelen voor een onderhandse akte

De onderhandse akte die een wederkerig contract vaststelt, levert slechts een bewijs op indien zij opgemaakt is in zoveel originelen als er partijen zijn die een onderscheiden belang hebben.

In elk origineel moet vermeld worden hoeveel originelen zijn opgemaakt. Hij die het contract, zelfs gedeeltelijk, heeft uitgevoerd, kan het ontbreken van een voldoende aantal originelen of van de vermelding van het aantal ervan niet inroepen.

De vereiste van meervoudige originelen wordt geacht vervuld te zijn voor de contracten in elektronische vorm wanneer het geschrift is opgemaakt overeenkomstig artikel 8.1, 1°, en het procedé iedere partij de mogelijkheid biedt over een schriftelijk exemplaar te beschikken of toegang ertoe te hebben.

Wanneer een onderhandse akte nietig is wegens niet-naleving van de regels opgelegd in de eerste twee leden van dit artikel, komt zij in aanmerking als een begin van bewijs door geschrift indien zij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 8.1, 7° van dit boek.

De regels opgelegd in de eerste twee leden zijn niet van toepassing op contracten afgesloten via briefwisseling, hetzij verstuurd via de post, hetzij elektronisch.

Art. 8.21

Rechtshandeling houdende een eenzijdige verbintenis tot betalen

Ongeacht de waarde van de rechtshandeling en zonder afbreuk te doen aan de uitzonderingen bepaald in de wet, levert de eenzijdige verbintenis om een geldsom te betalen of een zekere hoeveelheid vervangbare zaken te leveren enkel een bewijs op indien zij de handtekening bevat van de persoon die zich verbindt, alsmede de vermelding, door hemzelf geschreven, van de som of van de hoeveelheid voluit in letters uitgedrukt. Iedere overeenkomst die afwijkt van deze regel is nietig.

Art. 8.22

Vaste datum van de onderhandse akte

De onderhandse akte verkrijgt, ten aanzien van derden, geen vaste dagtekening dan:

1°van de dag waarop zij is geregistreerd, ofwel

2°van de dag waarop de hoofdinhoud ervan is vastgesteld in een authentieke akte, ofwel

3°van de dag waarop minstens één van de partijen de akte of de datum ervan niet langer kan wijzigen, onder meer ten gevolge van het overlijden van een van hen.

Art. 8.23

Voorwaarden en wettelijke bewijswaarde van de onderhandse akte die mede wordt ondertekend door de advocaten van de partijen

De onderhandse akte die overeenkomstig de bepalingen van deze onderafdeling door de advocaten wordt medeondertekend levert een volledig bewijs op van het geschrift en van de handtekening van de bij de akte betrokken partijen, zowel onderling als tegenover hun erfgenamen of rechtverkrijgenden.

De akte wordt medeondertekend door de advocaten van alle partijen, waarbij elke partij met een onderscheiden belang door een andere advocaat moet worden bijgestaan. In voorkomend geval is de valsheidsprocedure in burgerlijke zaken van toepassing op die akte.

Door de akte mede te ondertekenen, verklaart de advocaat dat hij de partij of partijen die hij bijstaat, volledig heeft ingelicht over de rechtsgevolgen van die akte. Zulks wordt in de akte vermeld.

Behoudens als een bepaling uitdrukkelijk afwijkt van dit artikel, hoeft op de door de advocaten van alle partijen medeondertekende onderhandse akte geen enkele bij wet opgelegde handgeschreven vermelding te worden aangebracht.

Tenzij op de door de advocaten van alle partijen medeondertekende akte een gekwalificeerde elektronische handtekening wordt aangebracht in de zin van artikel 3, 12° van de Verordening EU nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, wordt die akte opgemaakt in ten minste evenveel originele exemplaren als er partijen met een verschillend belang en ondertekenende advocaten zijn.

Art. 8.24

Vermelding van de betaling op een akte of het dubbel ervan

De vermelding van een betaling of van een andere reden van bevrijding die door de schuldeiser wordt aangebracht op een originele akte die steeds in zijn bezit is gebleven, geldt als weerlegbaar vermoeden van bevrijding van de schuldenaar.

Hetzelfde geldt voor de vermelding die op het dubbel van een akte wordt aangebracht, mits dit dubbel in handen van de schuldenaar is.

Art. 8.25

Juridisch statuut van het afschrift

Het afschrift dat gemaakt werd door middel van een gekwalificeerde elektronische archiveringsdienst conform boek XII, titel 2, van het Wetboek van economisch recht heeft dezelfde wettelijke bewijswaarde als het onderhandse geschrift waarvan ze, behoudens bewijs van het tegendeel, verondersteld wordt een getrouwe en duurzame kopie te zijn. De overlegging van het origineel wordt niet vereist.

Het gewaarmerkt afschrift dat gemaakt werd overeenkomstig artikel 1, vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt of overeenkomstig artikel 126 van de nieuwe gemeentewet heeft dezelfde wettelijke bewijswaarde als het geschrift waarvan het, tot betichting van valsheid, verondersteld wordt een getrouwe en duurzame kopie te zijn. De overlegging van het origineel wordt niet vereist.

Behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt, vormt in alle andere gevallen het afschrift een feitelijk vermoeden of in voorkomend geval een begin van bewijs door geschrift wanneer de in artikel 8.1, 7° opgelegde voorwaarden vervuld zijn. Indien het origineel nog bestaat, kan de overlegging ervan altijd worden gevorderd.

Art. 8.26

Afschriften van authentieke akten

§ 1.De afschriften van de authentieke akten zijn onderworpen aan de volgende regels.

Wanneer de oorspronkelijke akte niet meer bestaat, leveren de afschriften bewijs op naar de volgende onderscheidingen:

1°de grossen of eerste uitgiften hebben dezelfde bewijswaarde als het origineel.

Hetzelfde geldt voor gedematerialiseerde afschriften van notariële akten die zijn verleden overeenkomstig artikel 13, eerste lid, van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt en waarvan overeenkomstig artikel 18 van voormelde wet een afschrift bewaard wordt in de Notariële Aktebank.

Hetzelfde geldt eveneens voor afschriften die afgeleverd zijn door een rechter, overeenkomstig de artikelen 1372 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, in aanwezigheid van de partijen of na correcte oproeping ervan, of voor afschriften die afgeleverd zijn in tegenwoordigheid van de partijen en met hun wederzijdse toestemming;

2°de afschriften die, zonder dat een rechter optreedt of zonder toestemming van de partijen, en sinds het afgeven van de grossen of eerste uitgiften, volgens de minuut van de akte afgeleverd zijn door de notaris voor wie de akte is verleden, of door een van zijn opvolgers, of door openbare ambtenaren die in die hoedanigheid de minuten in bewaring hebben, kunnen, ingeval het origineel is verloren gegaan, bewijs opleveren, wanneer het oude afschriften zijn.

Zij worden als oude afschriften beschouwd, wanneer zij meer dan dertig jaar oud zijn.

Indien zij minder dan dertig jaar oud zijn, kunnen zij slechts dienen tot begin van bewijs door geschrift;

3°wanneer de afschriften van de minuut van de akte afgeleverd zijn door anderen dan de notaris voor wie de akte is verleden, of een van zijn opvolgers, of openbare of ministeriële ambtenaren die, in die hoedanigheid, de minuten in bewaring hebben, kunnen die afschriften, hoe oud zij ook zijn, slechts dienen tot begin van bewijs door geschrift;

4°afschriften van afschriften kunnen, naargelang van de omstandigheden, worden beschouwd als eenvoudige inlichtingen.

§ 2.De overschrijving van een akte in de openbare registers kan slechts dienen tot begin van bewijs door geschrift; en daartoe is zelfs vereist:

1°dat het vaststaat dat alle minuten van de notaris uit het jaar waarin de akte schijnt te zijn opgemaakt, verloren zijn, of dat men bewijst dat de minuut van die akte door een bijzonder voorval is verloren gegaan;

2°dat er een regelmatig gehouden repertorium van de notaris bestaat, waaruit blijkt dat de akte op dezelfde datum is opgemaakt.

Wanneer beide voorwaarden zijn vervuld, kan het bewijs van de inhoud van de akte geleverd worden met alle bewijsmiddelen. Als het bewijs door getuigen toelaatbaar is, is het noodzakelijk dat zij die bij de akte getuige zijn geweest, indien zij nog in leven zijn, gehoord worden.

Art. 8.27

Vrijwillige teruggave van de akte door de schuldeiser aan de schuldenaar

De vrijwillige teruggave aan de schuldenaar van de onderhandse titel of de grosse van de titel houdende de schuld, doet, behoudens tegenbewijs, de bevrijding van de schuldenaar vermoeden.

Art. 8.28

Toelaatbaarheid en bewijswaarde van getuigenissen

Getuigenissen zijn enkel toelaatbaar in de gevallen waarin de wet het bewijs met alle bewijsmiddelen toelaat.

Hun bewijswaarde wordt overgelaten aan het oordeel van de rechter.

Art. 8.29

Toelaatbaarheid en bewijswaarde van feitelijke vermoedens

Feitelijke vermoedens zijn enkel toelaatbaar in de gevallen waarin de wet het bewijs met alle bewijsmiddelen toelaat.

Hun bewijswaarde wordt overgelaten aan het oordeel van de rechter, die ze enkel zal aannemen indien zij op één of meer ernstige en precieze aanwijzingen berusten. Voor zover het vermoeden op meerdere aanwijzingen steunt, moeten ze met elkaar overeenstemmend zijn.

Art. 8.30

Kenmerken van de bekentenis

De bekentenis kan gerechtelijk of buitengerechtelijk, uitdrukkelijk of stilzwijgend, al dan niet intentioneel zijn.

Art. 8.31

Buitengerechtelijke bekentenis

De zuiver mondelinge buitengerechtelijke bekentenis is enkel toelaatbaar in de gevallen waarin de wet het bewijs met alle bewijsmiddelen toelaat.

De buitengerechtelijke bekentenis kan voortvloeien uit het gedrag van een van de partijen, zoals de uitvoering van een contract. Dat gedrag kan met alle bewijsmiddelen worden aangetoond.

De buitengerechtelijke bekentenis heeft dezelfde wettelijke bewijswaarde als de gerechtelijke bekentenis.

Art. 8.32

Wettelijke bewijswaarde van de bekentenis

De bekentenis is onherroepelijk, behalve in geval van dwaling omtrent de feiten, of in geval van iedere andere nietigheidsgrond.

Zij levert een bewijs op tegen hij die de bekentenis gedaan heeft, tenzij zij niet oprecht is.

De samengestelde bekentenis is onsplitsbaar, tenzij een van de onderdelen ervan vals, onwaarschijnlijk of in tegenspraak is met het andere onderdeel. In dat geval mag elk onderdeel worden ingeroepen, onafhankelijk van het andere.

Art. 8.33

Verschillende types eed

De eed kan, ter beslissing van het geding, door de ene partij aan de andere worden opgedragen om de beslissing van de zaak daarvan te doen afhangen. Hij kan ook door de rechter ambtshalve aan een van de partijen worden opgelegd.

Art. 8.34

Juridische regeling

De beslissende eed kan worden opgedragen omtrent alle geschillen, van welke aard ook, en in elke stand van het geding. De partij aan wie de eed is opgedragen en die weigert hem af te leggen of hem niet wil terugwijzen, of de partij aan wie de eed is teruggewezen en die weigert hem af te leggen, wordt betreffende haar bewering in het ongelijk gesteld.

Art. 8.35

Toepassingsgebied

Hij kan alleen worden opgedragen omtrent een feit waarbij de partij, aan wie men hem opdraagt, persoonlijk betrokken is. Hij mag door haar teruggewezen worden, tenzij de partij naar wie de eed wordt teruggewezen persoonlijk betrokken is bij het feit dat het voorwerp ervan uitmaakt.

Art. 8.36

Definitief karakter

De partij die de eed heeft opgedragen of teruggewezen, kan daarop niet meer terugkomen, wanneer de tegenpartij zich heeft bereid verklaard die eed af te leggen.

Art. 8.37

Wettelijke bewijswaarde

De eed levert alleen bewijs op ten voordele van hem die de eed heeft opgedragen en ten voordele van zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden, of tegen hen.

Wanneer de eed door een van de hoofdelijke schuldeisers is opgedragen aan de schuldenaar, bevrijdt hij de schuldenaar niet verder dan voor het aandeel van die schuldeiser.

De eed aan de hoofdschuldenaar opgedragen, bevrijdt eveneens de borgen.

De eed aan een van de hoofdelijke schuldenaars opgedragen, strekt ten voordele van de medeschuldenaars.

De eed aan de borg opgedragen, strekt ten voordele van de hoofdschuldenaar.

In de laatste twee gevallen strekt de eed van de hoofdelijke medeschuldenaar of van de borg alleen dan ten voordele van de overige medeschuldenaars of van de hoofdschuldenaar indien hij is opgedragen omtrent de hoofdschuld, en niet omtrent de hoofdelijkheid of de borgtocht.

Art. 8.38

Bewijswaarde

De rechter kan ambtshalve aan een van de partijen de eed opleggen. Die eed kan niet aan de tegenpartij worden teruggewezen. De bewijswaarde ervan wordt overgelaten aan het oordeel van de rechter.