Op het gezamenlijk verzoek tot machtiging bedoeld in artikel 4.40, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, zijn de artikelen 1026 tot 1034 van toepassing onder voorbehoud van de volgende bepalingen:
1°het verzoekschrift wordt ondertekend door de verzoekers of hun advocaat of notaris;
2°de vrederechter wint alle dienstige inlichtingen in en kan eenieder horen die hij geschikt acht om hem in te lichten.