Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL II Rechterlijke organisatie (art. 58–555/16) › BOEK II - GERECHTELIJKE AMBTEN. › TITEL II - Uitoefening van gerechtelijke ambten. › HOOFDSTUK IV Afwezigheden en verloven van magistraten

Afdeling IX Deeltijds uitoefenen van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar

331/51–331bis

Art. 331/51

§ 1.Het recht om vanaf de leeftijd van zestig jaar deeltijds het ambt uit te oefenen, staat open voor magistraten van of bij het Hof van Cassatie. Het recht om vanaf de leeftijd van zevenenvijftig jaar deeltijds hun ambt deeltijds uit te oefenen, staat open voor magistraten van de andere rechtscolleges en parketten.

Om gebruik te kunnen maken van het recht op deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar dient de magistraat aan de volgende cumulatieve voorwaarden te voldoen:

1°geen korpschef, afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur of afdelingsauditeur zijn;

2°beschikken over een beroepsloopbaan waarvan minstens vijftien jaar het ambt van magistraat te hebben uitgeoefend.

Deze deeltijdse uitoefening van het ambt kan gebeuren ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van een voltijdse uitoefening van het ambt.

§ 2.De magistraat die gebruik wenst te maken van het recht op deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar dient daartoe bij de korpschef een aanvraag in.

Hij doet dit minstens zes maanden voor de aanvang van de periode, tenzij de korpschef op verzoek van de magistraat een kortere termijn aanvaardt.

De aanvraag van het verlof bevat de wensen van de magistraat rond de dagen waarop hij in verlof is. Onder "deeltijdse uitoefening van het ambt" wordt een arbeidsregeling verstaan waarbij de magistraat in de loop van een maand het gedeelte van de prestaties dient te verrichten die verbonden zijn aan de voltijdse uitoefening van zijn ambt. De verdeling van de prestaties geschiedt in volledige of halve dagen.

De korpschef kent het verlof toe en bepaalt de werkkalender. Hij kan het begin van het verlof uitstellen met maximum zes maanden omwille van de behoeften van de dienst.

In functie van de behoeften van de dienst of op vraag van de magistraat kan de werkkalender door de korpschef worden aangepast. Deze laatste brengt de magistraat twee maanden op voorhand op de hoogte van deze aanpassing.

Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk bij onderling akkoord.

§ 3.De onverenigbaarheden bedoeld in de artikelen 292 tot 300 blijven van toepassing tijdens de periode dat de magistraat in het kader van de deeltijdse ambtsuitoefening geen prestaties dient te verrichten.

§ 4.De benoeming of aanwijzing in een andere functie binnen de rechterlijke orde maakt van rechtswege een einde aan de machtiging om zijn ambt deeltijds uit te oefenen.

Art. 331/52

§ 1.De periode van deeltijdse uitoefening van het ambt neemt een aanvang op de eerste dag van een maand.

De magistraat kan een einde maken aan het verlof of van stelsel bedoeld in artikel 331/51, § 1, derde lid, veranderen, mits hij daarvan de korpschef drie maanden van tevoren op de hoogte van brengt, tenzij de korpschef op verzoek van de belanghebbende een kortere termijn aanvaardt. In dit geval kan de magistraat geen nieuwe aanvraag meer indienen voor het stelsel van deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar of van stelsel bedoeld in artikel 331/51, § 1, derde lid, veranderen.

§ 2.Tijdens de periode van het verlof voor deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar kan de magistraat niet worden gemachtigd verminderde prestaties om welke redenen dan ook uit te oefenen.

Het verlof voor deelse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar wordt van rechtswege opgeschort wanneer de magistraat één van de volgende verloven geniet:

1°ouderschapsverlof;

2°adoptieverlof, opvangverlof en pleegouderverlof;

3°zorgverlof teneinde palliatieve zorg te verstrekken of voor het bijstaan van of voor het verstrekken van verzorging aan een lid van het gezin of aan een familielid.

§ 3.Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

De magistraat ontvangt zijn maandelijkse wedde met toelagen en premies die:

1°bij een ambtsuitoefening van 50 % gelijk is aan 50 % van zijn voltijdse wedde met inbegrip van de weddebijslagen, aangevuld met de premie bedoeld in artikel 8 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector;

2°bij een ambtsuitoefening van 60 % gelijk is aan 60 % van zijn voltijdse wedde met inbegrip van de weddebijslagen, aangevuld met 80 % van de premie bedoeld in artikel 8 van de voormelde wet van 19 juli 2012;

3°bij een ambtsuitoefening van 80 % gelijk is aan 80 % van zijn voltijdse wedde met inbegrip van de weddebijslagen, aangevuld met 40 % van de premie bedoeld in artikel 8 van de voormelde wet van 19 juli 2012.

Wanneer de magistraat, in toepassing van paragraaf 2, tweede lid, niet tijdens een volledige maand het verlof voor de deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf 57 jaar of 60 jaar heeft genoten, wordt de premie bedoeld in artikel 8 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller het aantal kalenderdagen van de periode van het verlof voor de deeltijdse uitoefening van het ambt bevat en de noemer het aantal kalenderdagen van de maand. In de andere gevallen, wanneer 50 %, 60 % of 80 % van de wedde niet volledig wordt betaald, wordt de premie pro rata verminderd.

§ 4.Voor de magistraten die dit verlof wordt toegekend, kan in een vervanging voorzien worden door middel van een benoeming en, in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal telkens de cumulatie van deze verloven leidt tot een voltijdse invulling van het ambt.