§ 1.Het recht om vanaf de leeftijd van zestig jaar deeltijds het ambt uit te oefenen, staat open voor magistraten van of bij het Hof van Cassatie. Het recht om vanaf de leeftijd van zevenenvijftig jaar deeltijds hun ambt deeltijds uit te oefenen, staat open voor magistraten van de andere rechtscolleges en parketten.
Om gebruik te kunnen maken van het recht op deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar dient de magistraat aan de volgende cumulatieve voorwaarden te voldoen:
1°geen korpschef, afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur of afdelingsauditeur zijn;
2°beschikken over een beroepsloopbaan waarvan minstens vijftien jaar het ambt van magistraat te hebben uitgeoefend.
Deze deeltijdse uitoefening van het ambt kan gebeuren ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van een voltijdse uitoefening van het ambt.
§ 2.De magistraat die gebruik wenst te maken van het recht op deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar dient daartoe bij de korpschef een aanvraag in.
Hij doet dit minstens zes maanden voor de aanvang van de periode, tenzij de korpschef op verzoek van de magistraat een kortere termijn aanvaardt.
De aanvraag van het verlof bevat de wensen van de magistraat rond de dagen waarop hij in verlof is. Onder "deeltijdse uitoefening van het ambt" wordt een arbeidsregeling verstaan waarbij de magistraat in de loop van een maand het gedeelte van de prestaties dient te verrichten die verbonden zijn aan de voltijdse uitoefening van zijn ambt. De verdeling van de prestaties geschiedt in volledige of halve dagen.
De korpschef kent het verlof toe en bepaalt de werkkalender. Hij kan het begin van het verlof uitstellen met maximum zes maanden omwille van de behoeften van de dienst.
In functie van de behoeften van de dienst of op vraag van de magistraat kan de werkkalender door de korpschef worden aangepast. Deze laatste brengt de magistraat twee maanden op voorhand op de hoogte van deze aanpassing.
Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk bij onderling akkoord.
§ 3.De onverenigbaarheden bedoeld in de artikelen 292 tot 300 blijven van toepassing tijdens de periode dat de magistraat in het kader van de deeltijdse ambtsuitoefening geen prestaties dient te verrichten.
§ 4.De benoeming of aanwijzing in een andere functie binnen de rechterlijke orde maakt van rechtswege een einde aan de machtiging om zijn ambt deeltijds uit te oefenen.