Schenking van toekomstige goederen of contractuele erfstelling
§ 1.Eenieder kan, in de huwelijksovereenkomst van de echtgenoten, ten voordele van deze echtgenoten of van een van hen, beschikken over het geheel of een gedeelte van de goederen die hij op de dag van zijn overlijden zal nalaten.
Hij kan op dezelfde wijze bedingen dat deze schenking ook ten voordele zal zijn van de gemeenschappelijke kinderen van deze echtgenoten, voor het geval dat de schenker de begiftigde echtgenoot overleeft.
Zelfs als de schenking enkel ten voordele van de echtgenoten of van een van beiden is gedaan, wordt ze steeds in het hierboven genoemde geval van overleving van de schenker, vermoed gedaan te zijn ten voordele van de gemeenschappelijke kinderen en afstammelingen van deze echtgenoten.
§ 2.De schenking die gedaan wordt in de bij paragraaf 1 bepaalde vorm, is onherroepelijk, doch slechts in die zin dat de schenker niet meer om niet mag beschikken over de in de schenking begrepen goederen, behalve over geringe bedragen, tot beloning of anderszins.