Schenkingen bij huwelijksovereenkomst
§ 1.Echtgenoten mogen in hun huwelijksovereenkomst, aan elkaar, of een van beiden aan de andere, elke schenking doen, met inachtneming van de hieronder gestelde beperkingen.
§ 2.De schenking van tegenwoordige goederen, tussen echtgenoten gedaan overeenkomstig paragraaf 1, is slechts gedaan onder voorwaarde dat de begiftigde overleeft, voor zover deze voorwaarde uitdrukkelijk bedongen is.
Zij is onderworpen aan alle regels en vormen die met betrekking tot zodanige schenkingen zijn voorgeschreven.
§ 3.De schenking van toekomstige goederen of van tegenwoordige en toekomstige goederen, tussen echtgenoten gedaan overeenkomstig paragraaf 1, hetzij door een van beiden, hetzij wederkerig, is onderworpen aan de regels bepaald in de artikelen 4.234 tot 4.236. Ze gaat echter niet over op de gemeenschappelijke kinderen van deze echtgenoten, ingeval de begiftigde echtgenoot overlijdt voor de echtgenoot schenker.
Een dergelijke schenking kan wegens ondankbaarheid worden herroepen, zoals bepaald in artikel 4.174, § 1, en ook, wat de schenking van toekomstige goederen betreft, zoals bepaald in artikel 4.218, § 3.
§ 4.De begunstiging door schenking van toekomstige goederen, die een contractuele erfstelling inhoudt, wordt behouden in geval van ontbinding van het huwelijksstelsel door de overgang naar een gerechtelijke scheiding van goederen of door de conventionele overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel, tenzij de echtgenoten anders overeenkomen.