Alle wetboeken › BW

BOEK 4 Nalatenschappen, schenkingen en testamenten › Titel 2 Schenkingen, testamenten en erfovereenkomsten

Ondertitel 7 Ouderlijke boedelverdeling

4.229–4.231

Art. 4.229

Verkavelen en verdelen

De vader, de moeder en andere verwanten in de opgaande lijn kunnen hun goederen tussen hun kinderen en afstammelingen verkavelen en verdelen.

Zodanige verdelingen kunnen worden gemaakt bij schenking of bij testament, met inachtneming van de vormen, voorwaarden en regels die voorgeschreven zijn met betrekking tot de schenkingen en de testamenten.

Verdelingen bij schenking mogen enkel de tegenwoordige goederen tot voorwerp hebben. In de mate waarin deze verdeling een erfovereenkomst bevat, zijn de artikelen 4.244 tot 4.253 van toepassing.

Art. 4.230

Onvolledige verdeling

Indien in de verdeling niet alle goederen begrepen zijn die de verwant in de opgaande lijn op de dag van zijn overlijden nalaat, worden de daarin niet begrepen goederen verdeeld overeenkomstig de wet.

Indien de verdeling niet gemaakt is tussen alle kinderen die ten tijde van het overlijden in leven zijn, en de afstammelingen van de vooroverleden kinderen, is de ganse verdeling nietig. Een nieuwe verdeling in de wettelijke vorm kan worden gevorderd door de kinderen of afstammelingen die daarbij niets gekregen hebben, of zelfs door degenen tussen wie de verdeling gemaakt is.

Art. 4.231

Benadeling

De verdeling, door de verwant in de opgaande lijn gemaakt, kan worden betwist uit hoofde van benadeling voor meer dan een vierde, met behoud van de mogelijkheid om de inkorting te vorderen overeenkomstig de artikelen 4.150 tot 4.157.

Het kind dat, op een van de gronden vermeld in het eerste lid, de door de verwant in de opgaande lijn gemaakte verdeling betwist, moet de kosten van de schatting voorschieten. Deze blijven te zijnen laste, evenals de kosten van het geschil, indien de vordering ongegrond is.