Alle wetboeken › BW

BOEK 2 Personen, familie en relatievermogensrecht › Titel 3 Relatievermogensrecht

Hoofdstuk 4 Overeenkomsten die het wettelijk stelsel kunnen wijzigen

2.3.52–2.3.60

Art. 2.3.52

Toegelaten afwijkingen

Echtgenoten die een stelsel van gemeenschap van goederen hebben aangenomen, mogen niet afwijken van de regels van het wettelijk stelsel die betrekking hebben op het bestuur over het eigen en het gemeenschappelijk vermogen. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 2.3.1 tot 2.3.3, kunnen zij bij huwelijksovereenkomst elke andere wijziging aanbrengen in het wettelijk stelsel.

Zij kunnen met name overeenkomen:

1°dat het gemeenschappelijk vermogen al hun tegenwoordige en toekomstige goederen of een deel ervan zal omvatten;

2°dat er tussen hen algehele gemeenschap zal zijn;

3°dat een van de echtgenoten recht zal hebben op een vooruitmaking;

4°dat in geval van ontbinding van het huwelijk door het overlijden van een van de echtgenoten, het gemeenschappelijk vermogen in ongelijke delen zal worden verdeeld of geheel aan een van de echtgenoten zal verblijven.

Zij blijven onderworpen aan de regels van het wettelijk stelsel waarvan hun huwelijksovereenkomst niet afwijkt.

Art. 2.3.53

Inbreng

§ 1.Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de tegenwoordige en toekomstige roerende of onroerende goederen, bedoeld in artikel 2.3.17, geheel of ten dele tot het gemeenschappelijk vermogen zullen behoren.

§ 2.Toekomstige echtgenoten die, voor het aangaan van het huwelijk, de volle eigendom van een onroerend goed verkrijgen, kunnen, voor zover zij ten gevolge van die verkrijging exclusief en ten belope van gelijke delen onverdeelde eigenaren zijn van dit goed, in de akte van eigendomsverkrijging een verklaring van anticipatieve inbreng opnemen. Door het louter feit van hun huwelijk, zal dit onroerend goed dan tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, alsof ze de inbreng in hun huwelijksovereenkomst hadden bedongen.

De echtgenoten kunnen in hun huwelijksovereenkomst afwijken van het eerste lid.

De notaris schrijft de verklaring van anticipatieve inbreng, bedoeld in het eerste lid, in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten in.

§ 3.De schulden die open staan op het ogenblik van de inbreng en die door de echtgenoot inbrenger werden aangegaan om de ingebrachte goederen te verkrijgen, te verbeteren of in stand te houden, komen ten laste van het gemeenschappelijk vermogen, behoudens andersluidende overeenkomst in de huwelijksovereenkomst of in de verklaring bedoeld in paragraaf 2.

§ 4.De echtgenoot die bepaalde goederen in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht, kan bij de verdeling de nog in natura aanwezige goederen terugnemen, mits hij ze op zijn aandeel toerekent naar hun waarde ten tijde van de verdeling. Deze bepaling is niet van toepassing op goederen die door beide echtgenoten gezamenlijk zijn ingebracht.

§ 5.Een echtgenoot die een bepaald goed in het gemeenschappelijk vermogen brengt, waarvan de waarde in de huwelijksovereenkomst wordt vermeld, kan zijn inbreng beperken tot een vastgesteld bedrag.

Tenzij in de huwelijksovereenkomst anders is bedongen, is het gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding van het stelsel, hem een vergoeding verschuldigd gelijk aan het verschil tussen de waarde van het ingebrachte goed en het bedrag ten belope waarvan het is ingebracht.

Deze vergoeding zal worden geherwaardeerd volgens de waarde van het ingebrachte goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel, indien het zich op dat tijdstip nog in het gemeenschappelijk vermogen bevindt, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.

Art. 2.3.54

Algehele gemeenschap

Komen de echtgenoten overeen dat er tussen hen algehele gemeenschap zal zijn, dan brengen zij al hun tegenwoordige en toekomstige goederen in het gemeenschappelijk vermogen, met uitzondering van die welke van persoonlijke aard zijn en van de rechten die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn.

De algehele gemeenschap is in dat geval ook gehouden tot de schulden van de echtgenoten die dateren van voor het stelsel en de schulden ten laste van nalatenschappen en giften die hun tijdens het stelsel toevallen.

Art. 2.3.55

Vooruitmaking

§ 1.Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de langstlevende of een van hen indien die het langst leeft, het recht zal hebben om vóór de verdeling, hetzij een bepaalde geldsom, hetzij bepaalde goederen in natura, hetzij een hoeveelheid of een percentage van een bepaalde categorie van goederen vooraf te nemen uit het gemeenschappelijk vermogen.

De toegekende voordelen worden echter als een schenking beschouwd ten belope van de helft, indien zij tegenwoordige of toekomstige goederen tot voorwerp hebben die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in de huwelijksovereenkomst.

§ 2.Vooruitgemaakte goederen kunnen in beslag worden genomen voor de betaling van gemeenschappelijke schulden, behoudens verhaal van de begunstigde echtgenoot, wanneer het goederen in natura betreft, op de rest van het gemeenschappelijk vermogen.

Zodanig verhaal is eveneens mogelijk in geval van vervreemding door een van de echtgenoten van een goed dat in natura vooruitgemaakt is.

Art. 2.3.56

Niet gelijke verdeling en verblijvingsbeding

Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de langstlevende of een van hen indien hij het langst leeft, bij de verdeling een ander deel dan de helft, of zelfs het gehele vermogen, zal ontvangen.

Indien de echtgenoten bij de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen ongelijke aandelen verkrijgen, zijn zij tot de betaling van de gemeenschappelijke schulden gehouden naar evenredigheid van hun aandeel in de baten, met behoud van de toepassing van artikel 2.3.50, § 2.

Indien de akte van verdeling niet anders bepaalt, kan de echtgenoot die na de verdeling een gemeenschappelijke schuld betaalt boven het aandeel dat hij krachtens het tweede lid moet dragen, het meerdere op de andere echtgenoot verhalen.

Art. 2.3.57

Regel ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen

Indien er gemeenschappelijke kinderen zijn, wordt een huwelijksovereenkomst die een voordeel toekent dat uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kan worden verkregen, ten aanzien van hen als een schenking beschouwd voor het aandeel boven de helft dat aan de langstlevende echtgenoot wordt toegewezen in de waarde, op de dag van de toekenning ervan, van de tegenwoordige of toekomstige goederen die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in de huwelijksovereenkomst.

Een kind van een van de echtgenoten dat gewoon of ten volle is geadopteerd door de andere echtgenoot, wordt beschouwd als een gemeenschappelijk kind.

Art. 2.3.58

Regel ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen

Ingeval er kinderen zijn die niet gemeenschappelijk zijn, wordt enkel de gelijke verdeling van hetgeen is gespaard op de wederzijdse inkomsten van de echtgenoten, al zijn die ongelijk, aan de toepassing van de regels van de schenkingen onttrokken.

Elke huwelijksovereenkomst die een ruimer voordeel toekent dat een echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen, wordt, ten aanzien van hen, als een schenking beschouwd.

Art. 2.3.59

Verval bij onwaardigheid

Elk beding van de huwelijksovereenkomst die een voordeel toekent dat de langstlevende echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen, vervalt indien deze echtgenoot onwaardig is om van de overleden echtgenoot te erven.

De bepalingen inzake onwaardigheid om te erven zijn van overeenkomstige toepassing op de onwaardigheid om voordelen te verkrijgen of te behouden die de langstlevende echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen. Dit is eveneens het geval indien de langstlevende echtgenoot uit de nalatenschap van de overleden echtgenoot gesloten is, hetzij door een ontervend beding, hetzij door een beslissing tot uitsluiting of tot verval van zijn erfrecht.

Art. 2.3.60

Verval bij ontbinding anders dan door overlijden of echtscheiding

Met behoud van de toepassing van artikel 4.237, § 4, leidt de ontbinding van het huwelijksstelsel door de overgang naar een gerechtelijke scheiding van goederen of door de conventionele overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel, tot verval van de voordelen die een echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen en die als overlevingsrechten zijn toegekend.