Inbreng
§ 1.Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de tegenwoordige en toekomstige roerende of onroerende goederen, bedoeld in artikel 2.3.17, geheel of ten dele tot het gemeenschappelijk vermogen zullen behoren.
§ 2.Toekomstige echtgenoten die, voor het aangaan van het huwelijk, de volle eigendom van een onroerend goed verkrijgen, kunnen, voor zover zij ten gevolge van die verkrijging exclusief en ten belope van gelijke delen onverdeelde eigenaren zijn van dit goed, in de akte van eigendomsverkrijging een verklaring van anticipatieve inbreng opnemen. Door het louter feit van hun huwelijk, zal dit onroerend goed dan tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, alsof ze de inbreng in hun huwelijksovereenkomst hadden bedongen.
De echtgenoten kunnen in hun huwelijksovereenkomst afwijken van het eerste lid.
De notaris schrijft de verklaring van anticipatieve inbreng, bedoeld in het eerste lid, in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten in.
§ 3.De schulden die open staan op het ogenblik van de inbreng en die door de echtgenoot inbrenger werden aangegaan om de ingebrachte goederen te verkrijgen, te verbeteren of in stand te houden, komen ten laste van het gemeenschappelijk vermogen, behoudens andersluidende overeenkomst in de huwelijksovereenkomst of in de verklaring bedoeld in paragraaf 2.
§ 4.De echtgenoot die bepaalde goederen in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht, kan bij de verdeling de nog in natura aanwezige goederen terugnemen, mits hij ze op zijn aandeel toerekent naar hun waarde ten tijde van de verdeling. Deze bepaling is niet van toepassing op goederen die door beide echtgenoten gezamenlijk zijn ingebracht.
§ 5.Een echtgenoot die een bepaald goed in het gemeenschappelijk vermogen brengt, waarvan de waarde in de huwelijksovereenkomst wordt vermeld, kan zijn inbreng beperken tot een vastgesteld bedrag.
Tenzij in de huwelijksovereenkomst anders is bedongen, is het gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding van het stelsel, hem een vergoeding verschuldigd gelijk aan het verschil tussen de waarde van het ingebrachte goed en het bedrag ten belope waarvan het is ingebracht.
Deze vergoeding zal worden geherwaardeerd volgens de waarde van het ingebrachte goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel, indien het zich op dat tijdstip nog in het gemeenschappelijk vermogen bevindt, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.