Alle wetboeken › WVV

DEEL 1 Algemene bepalingen. › BOEK 3 De jaarrekening. › TITEL 1 Jaarrekeningen van vennootschappen met rechtspersoonlijkheid. › HOOFDSTUK 1 Jaarrekening, jaarverslag en openbaarmakingsverplichtingen.

Afdeling 2/1 De verslaglegging van de essentiële immateriële middelen en de duurzaamheidsinformatie.

3:6/1–3:6/9

Art. 3:6/1

§ 1.Deze afdeling is van toepassing op de volgende vennootschappen:

1°de vennootschappen die gedurende twee opeenvolgende boekjaren op balansdatum minstens twee van de volgende criteria overschrijden:

a)een balanstotaal van 25.000.000 euro;

b)een jaarlijkse netto-omzet, als bedoeld in artikel 1:26/1, van 50.000.000 euro;

c)een jaargemiddelde van het aantal werknemers van 250;

2°de vennootschappen bedoeld in artikel 1:12, 1° en 2°, met uitzondering van de in paragraaf 2, 2°, bedoelde vennootschappen.

Deze afdeling is ook van toepassing op de volgende organisaties van openbaar belang die naar Belgisch recht ongeacht de rechtsvorm zijn opgericht, en die gedurende twee opeenvolgende boekjaren op balansdatum minstens twee van de groottecriteria vermeld in het eerste lid, 1° overschrijden:

1°de kredietinstellingen bedoeld in artikel 1:12, 3°;

2°de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 1:12, 4°.

Wanneer meer dan één van de in het eerste lid bedoelde criteria worden overschreden of niet meer worden overschreden, heeft dit slechts gevolgen wanneer dit zich gedurende twee achtereenvolgende boekjaren voordoet. De gevolgen gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden.

Voor vennootschappen die met hun activiteiten starten, worden voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde criteria, deze cijfers bij het begin van het boekjaar te goeder trouw geschat. Indien uit deze schatting blijkt dat meer dan één van de criteria zullen worden overschreden gedurende het eerste boekjaar, wordt daarmee voor dat eerste boekjaar meteen rekening gehouden.

Heeft het boekjaar uitzonderlijk een duur van minder of meer dan twaalf maanden, waarbij deze duur niet langer kan zijn dan vierentwintig maanden min één kalenderdag, dan wordt het bedrag van de jaarlijkse netto-omzet van de vennootschap vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer twaalf is en de teller het aantal maanden van het betrokken boekjaar, waarbij elke begonnen maand voor een volle maand wordt geteld.

Het in het eerste lid, 1°, a), bedoelde balanstotaal is de totale boekwaarde van de activa zoals ze blijkt uit het balansschema dat vastgesteld werd door de Koning.

Het aantal werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten is gelijk aan het arbeidsvolume uitgedrukt in voltijds tewerkgestelde equivalenten, te berekenen voor de deeltijdse werknemers op basis van het contractueel aantal te presteren uren, gerelateerd ten opzichte van de normale arbeidsduur van een vergelijkbare voltijdse werknemer.

Artikel 1:24, § 5, eerste lid, is van toepassing voor de berekening van het jaargemiddelde van het aantal werknemers.

§ 2.Deze afdeling is niet van toepassing op:

1°de vennootschappen onder firma, de commanditaire vennootschappen en de Europese economische samenwerkingsverbanden waarvan alle onbeperkt aansprakelijke vennoten natuurlijke personen zijn;

2°de organisaties van openbaar belang bedoeld in artikel 1:12, 1° en 2°, en die op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden:

a)een jaargemiddelde van het aantal werknemers van 10;

b)een jaarlijkse netto-omzet, bedoeld in artikel 1:26/1, van 900.000 euro;

c)een balanstotaal van 450.000 euro;

3°de financiële producten bedoeld in artikel 2, punt 12), b) en f), van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector;

4°de Nationale Bank van België, met uitzondering van artikel 3:6/2.

§ 3.De Koning kan de in de paragrafen 1, eerste lid, 1°, en 2, 2°, bedoelde groottecriteria en de wijze waarop ze worden berekend, wijzigen. Deze koninklijke besluiten worden genomen na overleg in de Ministerraad en na advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.

Art. 3:6/2

Het bestuursorgaan van een vennootschap bedoeld in artikel 3:6/1 neemt in zijn jaarverslag informatie over de essentiële immateriële middelen bedoeld in artikel 1:31/2, 4°, op en licht toe hoe het bedrijfsmodel van de vennootschap fundamenteel afhankelijk is van die middelen en hoe die middelen een bron voor de waardecreatie van de vennootschap zijn.

Art. 3:6/3

§ 1.Het bestuursorgaan van een vennootschap bedoeld in artikel 3:6/1 neemt in het jaarverslag van de vennootschap duurzaamheidsinformatie op die nodig is om inzicht te krijgen in de effecten van de vennootschap op duurzaamheidskwesties, alsmede informatie die nodig is om te begrijpen hoe duurzaamheidskwesties van invloed zijn op de ontwikkeling, de prestaties en de positie van de vennootschap.

De duurzaamheidsinformatie wordt in het jaarverslag opgenomen overeenkomstig de Europese duurzaamheidsstandaarden die de Europese Commissie door middel van de gedelegeerde handelingen bedoeld in artikel 29ter van Richtlijn 2013/34/EU heeft aangenomen.

De duurzaamheidsinformatie staat duidelijk aangegeven in een deel van het jaarverslag dat specifiek hierover gaat.

§ 2.Met de verslaglegging van duurzaamheidsinformatie in het jaarverslag, opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, wordt de vennootschap geacht te hebben voldaan aan de in artikel 3:6, § 1, tweede lid, tweede en derde zin, bedoelde verplichting.

Art. 3:6/4

§ 1.De duurzaamheidsinformatie als bedoeld in artikel 3:6/3 omvat:

1°een korte beschrijving van het bedrijfsmodel en de strategie van de vennootschap, met inbegrip van:

a)de veerkracht van het bedrijfsmodel en de strategie van de vennootschap ten aanzien van risico's in verband met duurzaamheidskwesties;

b)de kansen voor de vennootschap op het gebied van duurzaamheidskwesties;

c)de plannen van de vennootschap, met inbegrip van uitvoeringsmaatregelen en daaraan gerelateerde financiële en investeringsplannen, om ervoor te zorgen dat haar bedrijfsmodel en strategie verenigbaar zijn met de overgang naar een duurzame economie, met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 ° C in overeenstemming met de in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering op 12 december 2015 aangenomen Overeenkomst van Parijs en met de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 ("Europese klimaatwet") en, in voorkomend geval, de blootstelling van de vennootschap aan steenkool-, olie- en gasgerelateerde activiteiten;

d)de wijze waarop in het bedrijfsmodel en de strategie van de vennootschap rekening wordt gehouden met de belangen van de belanghebbenden bij de vennootschap en met de effecten van de vennootschap op duurzaamheidskwesties;

e)de wijze waarop de strategie van de vennootschap ten aanzien van duurzaamheidskwesties is uitgevoerd;

2°een beschrijving van de door de vennootschap vastgestelde tijdgebonden doelstellingen met betrekking tot duurzaamheidskwesties, waaronder, indien van toepassing, de absolute broeikasgasemissiereductiedoelstellingen voor tenminste 2030 en 2050, een beschrijving van de vooruitgang die de vennootschap heeft geboekt bij het bereiken van die doelstellingen, en een verklaring die duidelijk maakt of de doelstellingen ten aanzien van milieufactoren van de vennootschap gebaseerd zijn op overtuigend wetenschappelijk bewijs;

3°een beschrijving van de rol van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen met betrekking tot duurzaamheidskwesties, en van de daarin aanwezige deskundigheid en vaardigheden met betrekking tot het vervullen van die rol ofwel de toegang die deze organen hebben tot dergelijke deskundigheid en vaardigheden;

4°een beschrijving van het beleid van de vennootschap met betrekking tot duurzaamheidskwesties;

5°informatie over het bestaan van stimuleringsregelingen in verband met duurzaamheidskwesties die aan leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen worden aangeboden;

6°een beschrijving van de door de vennootschap toegepaste passende zorgvuldigheidsprocedure ten aanzien van duurzaamheidskwesties en, indien van toepassing, in overeenstemming met de vereisten van de Europese Unie voor ondernemingen om een passende zorgvuldigheidsprocedure uit te voeren;

7°een beschrijving van de belangrijkste feitelijke of potentiële negatieve effecten die verband houden met de eigen activiteiten en met de waardeketen van de vennootschap, met inbegrip van haar producten en diensten, haar zakenrelaties en haar toeleveringsketen, welke activiteiten zijn ondernomen voor het in kaart brengen en monitoren van die effecten en van andere negatieve effecten die de vennootschap op grond van andere vereisten van de Europese Unie met betrekking tot het uitvoeren van een passende zorgvuldigheidsprocedure verplicht is in kaart te brengen;

8°een beschrijving van alle door de vennootschap genomen maatregelen om feitelijke of potentiële negatieve effecten te voorkomen, te beperken, te verhelpen of te beëindigen, en het resultaat van dergelijke maatregelen;

9°een beschrijving van de voornaamste risico's voor de vennootschap met betrekking tot duurzaamheidskwesties, met inbegrip van een beschrijving van de belangrijkste afhankelijkheden van de vennootschap van die kwesties, en hoe de vennootschap die risico's beheert;

10°de indicatoren die relevant zijn voor de in 1° tot 9° bedoelde informatieverschaffing.

§ 2.De duurzaamheidsinformatie bevat, in voorkomend geval, ook informatie over de eigen activiteiten en over de waardeketen van de vennootschap, met inbegrip van haar producten en diensten, haar zakenrelaties en haar toeleveringsketen.

Aan de vennootschappen en entiteiten die niet onderworpen zijn aan de verplichting van het openbaar maken van duurzaamheidsinformatie maar wel deel uitmaken van de waardeketen bedoeld in het eerste lid, mag er niet meer informatie worden gevraagd dan wat vereist is in het licht van de Europese standaarden van duurzaamheidsrapportage voor kleine en middelgrote ondernemingen en wat redelijkerwijs verlangd kan worden van vennootschappen en entiteiten die leveranciers of klanten zijn in de waardeketen.

§ 3.Waar dit passend wordt geacht, bevat de in het jaarverslag opgenomen duurzaamheidsinformatie ook de relevante verwijzingen naar en een aanvullende uitleg betreffende de andere informatie in het jaarverslag en de bedragen in de jaarrekening.

§ 4.In uitzonderlijke gevallen kan het bestuursorgaan van de vennootschap beslissen om informatie betreffende ophanden zijnde ontwikkelingen of zaken waarover wordt onderhandeld niet op te nemen in het jaarverslag, indien de rapportering van die informatie, naar de behoorlijk gerechtvaardigde opvatting van het bestuursorgaan en met de collectieve verantwoordelijkheid van de leden ervan voor dit standpunt, ernstige schade zou kunnen berokkenen aan de commerciële positie van de vennootschap, mits het weglaten van deze informatie een getrouw beeld en evenwichtig begrip van de ontwikkeling, de resultaten en de positie van de vennootschap evenals van de effecten van haar activiteiten niet in de weg staat.

§ 5.Vermeldt de vennootschap duurzaamheidsinformatie met betrekking tot het diversiteitsbeleid in haar jaarverslag, dan wordt de vennootschap geacht om te voldoen aan artikel 3:6, § 2, eerste lid, 6°, eerste en tweede lid. In dat geval neemt zij een verwijzing daarnaar op in haar verklaring inzake corporate governance.

§ 6.Het bestuursorgaan beschrijft in het jaarverslag van de vennootschap eveneens het uitgevoerde proces om de duurzaamheidsinformatie in kaart te brengen die het overeenkomstig artikel 3:6/3 in het jaarverslag heeft opgenomen. Deze informatie omvat informatie met betrekking tot tijdhorizonten op korte, middellange en lange termijn, naargelang het geval.

Art. 3:6/5

§ 1.Tenzij de vennootschap bedoeld in artikel 1:12, 1° en 2°, onder het toepassingsgebied van artikel 3:6/1, § 1, eerste lid, 1°, valt, mag de duurzaamheidsinformatie in het jaarverslag van die vennootschap worden beperkt als volgt:

1°een korte beschrijving van het bedrijfsmodel en de strategie van de vennootschap;

2°een beschrijving van het beleid van de vennootschap met betrekking tot duurzaamheidskwesties;

3°de belangrijkste feitelijke of potentiële negatieve effecten van de vennootschap op duurzaamheidskwesties, en de maatregelen die zijn genomen om dergelijke feitelijke of potentiële negatieve effecten in kaart te brengen, te monitoren, te voorkomen, te beperken of te verhelpen;

4°de voornaamste risico's voor de vennootschap in verband met duurzaamheidskwesties en hoe de onderneming die risico's beheert;

5°essentiële indicatoren die nodig zijn voor de informatieverschaffing bedoeld in 1° tot 4°.

Het bestuursorgaan neemt deze beperkte duurzaamheidsinformatie in het jaarverslag van de vennootschap bedoeld in artikel 1:12, 1° en 2°, op grond van Europese standaarden van duurzaamheidsverslaglegging voor kleine en middelgrote ondernemingen en die de Europese Commissie door middel van de gedelegeerde handelingen bedoeld in artikel 29quater van Richtlijn 2013/34/EU heeft vastgelegd.

§ 2.Paragraaf 1 is ook van toepassing op:

1°kleine en niet-complexe instellingen bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 145), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;

2°verzekeringscaptives: de ondernemingen bedoeld in artikel 15, 21°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;

3°herverzekeringscaptives: ondernemingen bedoeld in artikel 15, 22°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

§ 3.De vennootschappen die de duurzaamheidsinformatie beperken overeenkomstig paragraaf 1, worden geacht te hebben voldaan aan de vereiste van artikel 3:6, § 1, tweede lid, tweede en derde zin.

Art. 3:6/6

§ 1.Overeenkomstig artikel 15, q), van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven verstrekt het daartoe aangeduide orgaan van de vennootschap de duurzaamheidsinformatie bedoeld in artikel 3:6/4, of, in voorkomend geval, de beperkte duurzaamheidsinformatie bedoeld in artikel 3:6/5, voor bespreking en in voorkomend geval voor advies aan de ondernemingsraad of bij ontstentenis hiervan, aan het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van dit comité, aan de vakbondsafvaardiging.

De duurzaamheidsinformatie, alsook de informatie over de manier waarop de duurzaamheidsinformatie wordt verkregen en geverifieerd, wordt verstrekt aan en besproken binnen de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van dit comité, wordt door de werkgever verstrekt aan en met de vakbondsafvaardiging besproken in de loop van de drie maanden die volgen op de datum van afsluiting van het boekjaar. De bespreking vindt plaats vóór de algemene vergadering tijdens welke de aandeelhouders zich uitspreken over de goedkeuring van de jaarrekening. Het verslag van deze bespreking wordt aan de aandeelhouders meegedeeld tijdens de voormelde algemene vergadering.

§ 2.De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels vaststellen met betrekking tot de verstrekking van de duurzaamheidsinformatie aan en de raadpleging hierover met de werknemersvertegenwoordiging.

Art. 3:6/7

§ 1.De vennootschap of entiteit bedoeld in artikel 3:6/1 en die als dochtervennootschap is opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening en het jaarverslag over de geconsolideerde jaarrekening van haar moedervennootschap of van een moederonderneming van een lidstaat is vrijgesteld van het opnemen van duurzaamheidsinformatie in het jaarverslag wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1°a) de moedervennootschap heeft in haar verslag de geconsolideerde duurzaamheidsinformatie overeenkomstig artikel 3:32/2 opgenomen; of

b)indien van toepassing, de moederonderneming van een lidstaat heeft in haar verslag de geconsolideerde duurzaamheidsinformatie volgens de wetgeving van de lidstaat overeenkomstig artikel 29bis van Richtlijn 2013/34/EU opgenomen;

2°het jaarverslag van de vrijgestelde dochtervennootschap bevat de volgende informatie:

a)de naam en zetel van de moedervennootschap of moederonderneming die op groepsniveau de geconsolideerde duurzaamheidsinformatie opstelt en die openbaar maakt;

b)de weblinks naar het jaarverslag over de geconsolideerde jaarrekening van de moedervennootschap, en het desbetreffende assuranceverslag bedoeld in artikel 3:82/5 of, in voorkomend geval naar het geconsolideerd jaarverslag van de moederonderneming van een lidstaat, en naar het in artikel 34, lid 1, tweede alinea, punt a bis), van Richtlijn 2013/34/EU bedoelde assuranceoordeel hiervan;

c)de mededeling dat de dochtervennootschap is vrijgesteld van de in de artikel 3:6/3 bedoelde verplichtingen.

Is de dochtervennootschap niet verplicht een jaarverslag op te stellen, dan is zij vrijgesteld van de verplichting bedoeld onder 2° op voorwaarde dat die dochtervennootschap evenwel het jaarverslag over de geconsolideerde jaarrekening van haar moedervennootschap openbaar maakt.

§ 2.De vennootschap bedoeld in artikel 3:6/1 en die een dochtervennootschap is van een moederonderneming van een derde land is vrijgesteld van het opnemen van duurzaamheidsinformatie in het jaarverslag wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1°de moederonderneming van het derde land heeft in het jaarverslag over de geconsolideerde jaarrekening of in voorkomend geval, in een verslag, de geconsolideerde duurzaamheidsinformatie opgenomen overeenkomstig artikel 3:32/2 of op een wijze die gelijkwaardig is aan die waarin de op grond van artikel 29ter van Richtlijn 2013/34/EU vastgestelde standaarden voor duurzaamheidsrapportering, als bepaald overeenkomstig een op grond van artikel 23, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG, vastgestelde uitvoeringshandeling inzake de gelijkwaardigheid van standaarden voor duurzaamheidsrapportage voorziet, en dit geconsolideerd jaarverslag of in voorkomend geval dit verslag over duurzaamheidsinformatie openbaar gemaakt overeenkomstig dit wetboek;

2°het jaarverslag van de vrijgestelde dochtervennootschap bevat de volgende informatie:

a)de naam en de zetel van de moederonderneming die op groepsniveau de geconsolideerde duurzaamheidsinformatie opstelt overeenkomstig artikel 3:32/2 op een wijze die gelijkwaardig is aan die waarin de op grond van artikel 29ter van Richtlijn 2013/34/EU vastgestelde standaarden voor duurzaamheidsrapportering, als bepaald overeenkomstig een op grond van artikel 23, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2004/109/EG vastgestelde uitvoeringshandeling inzake de gelijkwaardigheid van standaarden voor duurzaamheidsrapportage voorziet, en die openbaar maakt;

b)de weblinks naar de geconsolideerde duurzaamheidsinformatie van de moederonderneming, bedoeld in 1°, en naar het in het tweede lid bedoelde assuranceoordeel;

c)de mededeling dat de dochtervennootschap is vrijgesteld van de in artikel 3:6/3 bedoelde verplichtingen;

3°de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde informatieverschaffing over de activiteiten van de vrijgestelde dochtervennootschap, en in voorkomend geval haar dochtervennootschappen, wordt opgenomen in het jaarverslag van de vrijgestelde dochtervennootschap of in de geconsolideerde duurzaamheidsinformatie die door de in een derde land gevestigde moederonderneming is openbaar gemaakt.

Het assuranceoordeel over de geconsolideerde duurzaamheidsinformatie dat de moederonderneming van een derde land heeft openbaar gemaakt, wordt uitgebracht door één of meer personen of kantoren die volgens het recht van het rechtsgebied van die moederonderneming gerechtigd zijn om een assuranceoordeel van geconsolideerde duurzaamheidsinformatie uit te brengen.

Is de dochtervennootschap niet verplicht een jaarverslag op te stellen, dan is zij vrijgesteld van de verplichting bedoeld in het eerste lid, 2°, op voorwaarde dat die dochtervennootschap evenwel het jaarverslag over de geconsolideerde jaarrekening van de moederonderneming openbaar maakt.

§ 3.De vrijstellingen bedoeld in de paragrafen 1 en 2 zijn ook van toepassing op:

1°de organisaties van openbaar belang onderworpen aan de vereisten bedoeld in artikel 3:6/3, met uitzondering van de vennootschappen bedoeld in artikel 1:12, 1° en 2°, en die voldoen aan de vereisten van artikel 3:6/1, § 1, eerste lid, 1°;

2°de dochtervennootschappen bedoeld in artikel 3:32/1, § 2, tweede lid.

Art. 3:6/8

Het bestuursorgaan van een vennootschap die duurzaamheidsinformatie in het jaarverslag opneemt, bepaald in deze afdeling, stelt het jaarverslag op in het formaat bedoeld in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815 van de Commissie van 17 december 2018 tot aanvulling van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen voor de specificatie van een uniform elektronisch verslagleggingsformaat.

De duurzaamheidsinformatie, met inbegrip van de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde openbaarmakingen, wordt gemarkeerd op de wijze overeenkomstig het in de in het eerste lid bedoelde gedelegeerde verordening bepaalde elektronische verslagleggingsformaat.

Overeenkomstig artikel 2:33 wordt het jaarverslag neergelegd in de taal of in één van de officiële talen van het taalgebied waar de zetel van de vennootschap is gevestigd.

Het jaarverslag mag daarenboven in een of meer andere officiële talen van de Europese Unie vertaald worden en als vertaling neergelegd worden. Elke niet-gewaarmerkte vertaling bevat een verklaring in die zin.

Art. 3:6/9

§ 1.Dit artikel is van toepassing op Belgische vennootschappen bedoeld in artikel 3:6/1, § 1, eerste en tweede lid, en die bovendien een dochtervennootschap zijn van een uiteindelijke moederonderneming vallende onder het recht van een derde land of van een dochteronderneming die deel uitmaakt van een groep met een uiteindelijke moederonderneming van een derde land.

§ 2.Het bestuursorgaan van een in paragraaf 1 bedoelde dochtervennootschap maakt de netto-omzet van zijn uiteindelijke moederonderneming openbaar, als volgt:

1°berekend op geconsolideerde basis op de datum van afsluiting van het boekjaar, de netto-omzet behaald in België;

2°berekend op geconsolideerde basis op de datum van afsluiting van het boekjaar, de netto-omzet behaald door economische activiteiten in de lidstaten.

§ 3.Het bestuursorgaan van een in paragraaf 1 bedoelde dochtervennootschap maakt op het niveau van de groep een verslag over specifieke duurzaamheidsinformatie van die uiteindelijke moederonderneming van een derde land openbaar. Deze specifieke duurzaamheidsinformatie op het niveau van de groep van de uiteindelijke moederonderneming omvat de informatie bedoeld in artikel 3:32/3, § 1, 1°, c) tot e), 2° tot 8°, en in voorkomend geval, 10°.

Het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land wordt opgesteld volgens een van de volgende standaarden:

1°de standaarden van specifieke duurzaamheidsinformatie die de Europese Commissie heeft aangenomen volgens de uitvoeringsverordening tot uitvoering van artikel 40ter van Richtlijn 2013/34/EU;

2°de standaarden voor duurzaamheidsinformatie die de Europese Commissie vaststelt volgens de uitvoeringsverordening tot uitvoering van artikel 29ter van Richtlijn 2013/34/EU;

3°of op een wijze die gelijkwaardig is aan de standaarden van duurzaamheidsinformatie, bedoeld in 1° en 2°, op grond van artikel 23, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2004/109/EG.

§ 4.Is de specifieke duurzaamheidsinformatie van uiteindelijke moederonderneming van een derde land niet beschikbaar, dan verzoekt het bestuursorgaan van de dochtervennootschap de uiteindelijke moederonderneming alle vereiste duurzaamheidsinformatie te verstrekken om hem in staat te stellen aan de in paragraaf 2 bedoelde verplichtingen te voldoen.

Verstrekt de uiteindelijke moederonderneming van een derde land niet alle vereiste duurzaamheidsinformatie, dan stelt het bestuursorgaan van de betrokken dochtervennootschap de vereiste duurzaamheidsinformatie op. De betrokken dochtervennootschap brengt in haar jaarverslag een verklaring uit waaruit blijkt dat de uiteindelijke moederonderneming van een derde land niet de nodige informatie heeft verstrekt.

Bovendien verzoekt het bestuursorgaan van de dochtervennootschap zijn uiteindelijke moederonderneming van een derde land hem het assuranceoordeel over de specifieke duurzaamheidsinformatie, uitgebracht door een of meer personen of ondernemingen die uit hoofde van het nationaal recht van de uiteindelijke moederonderneming uit het derde land, of uit hoofde van het nationaal recht van een lidstaat, of Belgisch recht, gerechtigd zijn een assuranceoordeel van de specifieke duurzaamheidsinformatie af te geven, over te maken.

Indien de uiteindelijke moederonderneming uit het derde land het assuranceoordeel niet overeenkomstig het derde lid verstrekt, geeft de dochteronderneming een verklaring af waaruit blijkt dat de onderneming uit het derde land het benodigde assuranceoordeel niet ter beschikking heeft gesteld.

§ 5.Het bestuursorgaan van de dochtervennootschap legt binnen zeven maanden na datum van afsluiting van het boekjaar de specifieke duurzaamheidsinformatie van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land, vergezeld van het bijhorende assuranceoordeel, neer bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België, volgens de nadere regels bepaald door de Koning.

De dochtervennootschap legt het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land neer in de taal of in één van de officiële talen van het taalgebied waar de zetel van de dochtervennootschap is gevestigd.

Diezelfde dochtervennootschap mag daarenboven het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land in een of meer andere officiële talen van de Europese Unie vertalen en het als vertaling neerleggen.

§ 6.Zijn vrijgesteld van de openbaarmaking van het verslag over specifieke duurzaamheidsinformatie bedoeld in paragraaf 3:

1°de dochtervennootschap van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land, wanneer de netto-omzet van die moederonderneming, bepaald in paragraaf 2, gedurende twee opeenvolgende boekjaren het grensbedrag van 150 miljoen euro niet heeft overschreden;

2°de dochtervennootschap van een uiteindelijke moederonderneming van een derde land waarvan een dochteronderneming van een andere lidstaat, met een hogere netto-omzet, en die behoort tot de groep, reeds het verslag van de specifieke duurzaamheidsinformatie van die uiteindelijke moederonderneming heeft openbaar gemaakt volgens de regelgeving van die andere lidstaat.