Alle wetboeken › WER

BOEK XX - Insolventie van de ondernemingen

Titel IX - Verbodsbepalingen en de rehabilitatie

XX.229–XX.241

Art. XX.229

§ 1.De insolventierechtbank die het faillissement heeft uitgesproken of, wanneer het faillissement in het buitenland is uitgesproken de insolventierechtbank te Brussel, kan, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement, deze bij een met redenen omkleed vonnis verbod opleggen persoonlijk of door een tussenpersoon een onderneming uit te baten.

§ 2.Indien blijkt dat de gefailleerde of de bestuurders en de zaakvoerders van de gefailleerde rechtspersoon, zonder wettig verhinderd te zijn, hebben verzuimd de verplichtingen gesteld bij artikel XX.146 na te leven, kan de insolventierechtbank of de ondernemingsrechtbank te Brussel, wanneer het faillissement is uitgesproken in het buitenland, aan deze personen bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door toedoen van een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een rechtspersoon, enige functie waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België bedoeld in artikel 2:149 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of het beroep van effectenmakelaar of correspondenteffectenmakelaar uit te oefenen.

...

§ 3.Voor de toepassing van dit artikel worden met de gefailleerde gelijkgesteld, de bestuurders en zaakvoerders van een failliet verklaarde rechtspersoon wier ontslag niet een jaar voor de faillietverklaring is bekendgemaakt, alsmede enig ander persoon die zonder beheerder of zaakvoerder te zijn, werkelijk de bevoegdheid zal gehad hebben de failliet verklaarde rechtspersoon te beheren.

§ 4.Daarenboven kan de ondernemingsrechtbank die het faillissement van de rechtspersoon heeft uitgesproken, of de insolventierechtbank te Brussel wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van een van de personen, krachtens paragraaf 3 gelijkgesteld met de gefailleerde, heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze persoon bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon, functie uit te oefenen waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden.

§ 5.De duur van het verbod bepaald in de paragrafen 1, 3 en 4 wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt maximum tien jaar.

De duur van het verbod bepaald in paragraaf 2 wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt drie jaar.

§ 6.De rechtbank kan het verbod voorwaardelijk opleggen voor een duur van drie jaar of de uitspraak opschorten voor een zelfde duur. De rechtbank bepaalt de voorwaarden waaraan het uitstel of de opschorting van de uitspraak onderworpen zijn.

Art. XX.230

De verbodsbepaling bedoeld in dit hoofdstuk kan opgelegd worden door de insolventierechtbank op vordering van het openbaar ministerie, van de curator, of van een schuldeiser die niet werd betaald in het kader van het faillissement.

Onverminderd artikel XX.171, worden de gefailleerde of een van de personen krachtens artikel XX.229 gelijkgesteld met de gefailleerde, opgeroepen per tegensprekelijk verzoekschrift voor de insolventierechtbank. De griffier geeft er kennis van aan de verweerder en in voorkomend geval, aan de curator als het verzoekschrift niet door de curator is neergelegd.

De termijn om te verschijnen is acht dagen.

Art. XX.231

Op de bepaalde dag, of de dag waarop de zaak is verdaagd, hoort de rechtbank de gefailleerde, in voorkomend geval bijgestaan door zijn raadsman, in raadkamer. Zij kan eveneens enig ander persoon horen indien zij zulks dienstig acht, onder meer de rechter-commissaris wanneer het faillissement in België is uitgesproken.

In voorkomend geval wordt het openbaar ministerie gehoord in zijn advies.

Het vonnis wordt in openbare terechtzitting uitgesproken.

Het wordt bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad en de griffier geeft er kennis van bij gerechtsbrief aan de gefailleerde....

Art. XX.232

De gefailleerde of een van de personen krachtens artikel XX.229 gelijkgesteld met de gefailleerde en het openbaar ministerie kunnen hoger beroep instellen. De termijn van hoger beroep loopt vanaf de kennisgeving.

Van het verzoek om te verschijnen wordt aan de gefailleerde kennis gegeven door de griffie van het hof van beroep. Wanneer het hoger beroep is ingesteld door het openbaar ministerie, wordt het afschrift van het verzoekschrift bij de uitnodiging gevoegd.

De termijn om te verschijnen is acht dagen.

Het hof van beroep doet uitspraak binnen een maand na het hoger beroep.

Op de vastgestelde dag hoort het hof van beroep de gefailleerde, die in voorkomend geval door zijn raadsman wordt bijgestaan. Het hof kan eveneens enig ander persoon horen indien het zulks dienstig acht.

Het openbaar ministerie wordt gehoord in zijn advies.

Het arrest wordt door toedoen van de griffier bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en aan de gefailleerde ter kennis gebracht.

Art. XX.233

De termijn van cassatieberoep is twee maand te rekenen van de kennisgeving van het arrest.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt het cassatieberoep ingeleid en wordt de zaak beslecht in de vormen en binnen de termijnen als voorgeschreven in burgerlijke zaken. De bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie is evenwel niet verplicht.

Het cassatieberoep heeft geen opschortende werking.

Art. XX.234

Elke overtreding van het bij de vorige artikelen gestelde verbod wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaren en met geldboete van 25 euro tot 250 euro.

De bepalingen van boek I van het Wetboek van Strafrecht, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn op die misdrijven van toepassing.

Art. XX.235

§ 1.De arresten en vonnissen waarbij het verbod wordt opgelegd, houden op gevolg te hebben:

-indien het vonnis van faillietverklaring wordt ingetrokken;

-indien de gefailleerde rehabilitatie verkrijgt.

§ 2.Het openbaar ministerie kan vorderen bij de insolventierechtbank dat als de gefailleerde aan de voorwaarden niet heeft voldaan of aan een nieuwe insolventie procedure is onderworpen, een einde zou worden gesteld aan het uitstel of aan de opschorting van de uitspraak.

De vordering wordt ingesteld bij tegensprekelijk verzoekschrift neergelegd op de griffie van de insolventierechtbank.

Art. XX.236

Dit hoofdstuk is niet toepasselijk bij faillissement van een onderneming die onderworpen is aan tuchtregels vastgesteld door of krachtens een wet.

Art. XX.237

De gefailleerde die geen kwijtschelding heeft verkregen en die alle nog door hem verschuldigde bedragen in hoofdsom, interest en kosten, geheel heeft voldaan, kan rehabilitatie verkrijgen.

...

De gefailleerde kan na zijn overlijden worden gerehabiliteerd.

Art. XX.238

Elk verzoek tot rehabilitatie wordt gericht aan de ondernemingsrechtbank van het rechtsgebied waarbinnen de gefailleerde zijn woonplaats heeft. De verzoeker voegt bij zijn verzoekschrift de kwijtingen en andere bewijsstukken.

Het wordt neergelegd in het register.

Het wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, door toedoen van de griffier.

Art. XX.239

Iedere schuldeiser wiens schuldvordering, hoofdsom, interest en kosten, niet geheel is voldaan, en iedere andere belanghebbende kan binnen een maand na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, tegen de rehabilitatie bij eenvoudige akte ter griffie verzet doen onder overlegging van bewijsstukken. De schuldeiser die verzet doet, kan nooit als partij optreden in de procedure tot rehabilitatie.

Art. XX.240

Na verloop van de termijn bepaald in artikel XX.241 doet de rechtbank uitspraak. De rechtbank kan vooraleer uitspraak te doen, de verzoeker en derden horen.

Wordt het verzoek geweigerd, dan kan het niet opnieuw worden ingediend dan na verloop van een jaar.

Art. XX.241

Het vonnis waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan wordt bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad door toedoen van de griffier.