Alle wetboeken › WER

Boek XI - Intellectuele eigendom en bedrijfsgeheimen › Titel 1 - Uitvindingsoctrooien › HOOFDSTUK 2 - Het uitvindingsoctrooi

Afdeling 5 - Het octrooi en de octrooiaanvraag als deel van het vermogen

XI.49–XI.54

Art. XI.49

§ 1.Bij ontstentenis van een overeenkomst wordt de medeëigendom op een octrooiaanvraag of op een octrooi geregeld door de bepalingen van dit artikel.

§ 2.Elke mede-eigenaar heeft het recht om de uitvinding persoonlijk te exploiteren.

Geen mede-eigenaar mag de octrooiaanvraag of het octrooi met een recht bezwaren, een exploitatielicentie verlenen of een vordering wegens inbreuk instellen dan met instemming van de andere mede-eigenaar of, bij ontstentenis daarvan, met machtiging van de rechtbank.

De onverdeelde aandelen worden vermoed gelijk te zijn.

Wanneer een mede-eigenaar zijn aandeel wenst over te dragen heeft de andere mede-eigenaar een recht van voorkoop gedurende drie maanden nadat hem van het voornemen tot overdracht kennis is gegeven.

De meest gerede partij kan de voorzitter van de rechtbank vragen om volgens de regelen van het kortgeding een deskundige te benoemen om de voorwaarden van de overdracht vast te stellen. De conclusies van de deskundige zijn bindend tenzij binnen een maand na de mededeling ervan een partij laat weten dat zij van de overdracht afziet, in welk geval de desbetreffende uitgaven ten hare laste vallen.

§ 3.De bepalingen van de hoofdstukken 1 en 4 van ondertitel 8 van titel 1 van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de medeëigendom van een octrooiaanvraag of van een octrooi.

§ 4.Een mede-eigenaar van een octrooiaanvraag of van een octrooi kan aan de andere mede-eigenaars zijn beslissing bekend maken om in hun voordeel af te zien van zijn aandeel. Vanaf de inschrijving van deze afstand in het register wordt deze mede-eigenaar ontlast van alle verplichtingen ten opzichte van de andere mede-eigenaars; deze verdelen het afgestane aandeel onder elkaar naar verhouding van hun rechten in de mede-eigendom, tenzij er een andere overeenkomst bestaat.

Art. XI.50

§ 1.Iedere overdracht of overgang, geheel of gedeeltelijk, van een octrooiaanvraag of van een octrooi moet aan de Dienst medegedeeld worden.

§ 2.De overdracht onder levenden van een octrooiaanvraag of van een octrooi moet op straffe van nietigheid bij schriftelijke akte geschieden.

§ 3.Bij de mededeling in paragraaf 1 moet hetzij een afschrift van de akte van overdracht of van het officieel document waaruit de overgang van rechten blijkt, hetzij een uittreksel van die akte of dat document waaruit de overgang genoegzaam blijkt, hetzij een attest van overdracht ondertekend door de partijen worden gevoegd.

De Koning bepaalt de inhoud en de modaliteiten van deze mededeling. Hij kan een taks vaststellen die, vóór de inschrijving van het afschrift, het uittreksel of het attest in het register, dient te worden betaald.

De Koning houdt bij het al dan niet bepalen van de taks, en desgevallend bij het vaststellen van de hoogte van de taks, minstens rekening met de volgende criteria:

1°de toegankelijkheid tot het Belgische octrooi-systeem; en

2°de verhouding tussen de kost voor de Dienst voor het beheer van de in het tweede lid bedoelde taks, en de inkomsten die deze taks genereert;

3°de verspreiding van informatie aan derden over het statuut van het octrooi of van de octrooiaanvraag.

§ 4.De mededelingen worden ingeschreven in het register in chronologische orde van hun ontvangst.

§ 5.Onder voorbehoud van het geval voorzien bij artikel XI.10, laat de overgang de door derden vóór de datum van de overgang verkregen rechten ongewijzigd.

§ 6.Een overdracht of overgang kan eerst na inschrijving in het register uitwerking hebben ten opzichte van de Dienst en tegenstelbaar zijn aan derden in de omvang die blijkt uit de stukken bedoeld in paragraaf 3. De overdracht of overgang kan evenwel vóór de inschrijving worden tegengesteld aan derden die na de datum van overdracht of overgang rechten hebben verkregen, maar bij de verkrijging van deze rechten kennis van de overdracht of overgang droegen.

Art. XI.51

§ 1.Een octrooiaanvraag of een octrooi kan, geheel of gedeeltelijk, het voorwerp uitmaken van contractuele licenties voor het Rijk of voor een deel ervan. De licenties kunnen uitsluitend of niet-uitsluitend zijn. Ze moeten op straffe van nietigheid bij schriftelijke akte geschieden.

§ 2.De uit de octrooiaanvraag of uit het octrooi voortvloeiende rechten kunnen worden ingeroepen tegen een licentiehouder die een van de in paragraaf 1 bedoelde grenzen van zijn licentie overschrijdt.

§ 3.Artikel XI.50, § 5, is van toepassing op het verlenen van een licentie voor een octrooiaanvraag of voor een octrooi.

§ 4.Het verlenen van een licentie voor een octrooiaanvraag of voor een octrooi en elke wijziging aangebracht aan het attest bedoeld in het volgende lid moeten aan de Dienst medegedeeld worden.

Deze mededeling geschiedt door het indienen van een door de partijen ondertekend attest. De Koning bepaalt de inhoud en de modaliteiten van dit attest. Hij kan een taks vaststellen die, vóór de inschrijving van het attest in het register, dient te worden betaald.

De Koning houdt bij het al dan niet bepalen van de taks, en desgevallend bij het vaststellen van de hoogte van de taks, minstens rekening met de volgende criteria:

1°de toegankelijkheid tot het Belgische octrooisysteem;

2°de verhouding tussen de kost voor de Dienst voor het beheer van de in het tweede lid bedoelde taks, en de inkomsten die deze taks genereert; en

3°de verspreiding van informatie aan derden over het statuut van het octrooi of van de octrooiaanvraag.

§ 5.Het verlenen van een licentie voor een octrooiaanvraag of voor een octrooi en elke wijziging aangebracht aan het attest voorzien in voorgaande paragraaf kunnen ten opzichte van de Dienst slechts uitwerking hebben en aan derden worden tegengesteld na de inschrijving in het register van het attest of van het wijzigingsattest en wel in de omvang die blijkt uit voormelde attesten. Artikel XI.50, § 6, tweede zin, is van toepassing.

§ 6.De overdracht van een licentie voor een octrooiaanvraag of voor een octrooi moet op straffe van nietigheid schriftelijk gebeuren. Zij moet aan de Dienst medegedeeld worden.

Artikel XI.50, §§ 3 tot en met 6, is van overeenkomstige toepassing op de overdracht van de licentie.

Art. XI.52

§ 1.Vruchtgebruik op een octrooiaanvraag of op een octrooi alsmede de inpandgeving van een octrooiaanvraag of van een octrooi moeten aan de Dienst medegedeeld worden.

§ 2.Artikel XI.50, §§ 3 tot en met 6, is van overeenkomstige toepassing op de zakelijke rechten bedoeld in de vorige paragraaf.

Art. XI.53

Het beslag op een octrooiaanvraag of op een octrooi geschiedt volgens de voorziene procedure inzake roerend beslag.

Een afschrift van het beslagexploot moet aan de Dienst bezorgd worden door de beslagleggende schuldeiser; het beslag wordt in het register ingeschreven.

Het beslag brengt mee dat latere wijzigingen door de houder aan de met de octrooiaanvraag of met het octrooi verbonden rechten niet tegenstelbaar zijn aan de beslagleggende schuldeiser.

Art. XI.54

De door derden verkregen rechten op een octrooiaanvraag blijven gelden ten aanzien van het octrooi dat op deze aanvraag is verleend.