Degene die een uitvindingsoctrooi wenst te bekomen moet een aanvraag indienen. Deze aanvraag moet voldoen aan de voorwaarden en vormen vastgelegd in de huidige titel en door de Koning.
Boek XI - Intellectuele eigendom en bedrijfsgeheimen › Titel 1 - Uitvindingsoctrooien › HOOFDSTUK 2 - Het uitvindingsoctrooi
Afdeling 3 - De aflevering van het uitvindingsoctrooi
XI.14–XI.27
Art. XI.15
Onverminderd de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 3 van deze titel, wordt de indiening van de octrooiaanvraag, hetzij in persoon, hetzij per post of op enige andere door de Koning bepaalde wijze, bij de Dienst gedaan.
Een ontvangstbewijs, kosteloos opgesteld door een daartoe door de minister aangewezen ambtenaar van de Dienst, stelt elke indiening vast met vermelding van de dag van de ontvangst der stukken. Het ontvangstbewijs wordt aan de aanvrager of zijn vertegenwoordiger betekend op de door de Koning bepaalde wijze.
Art. XI.16
§ 1.De octrooiaanvraag moet bevatten:
1°een tot de minister gericht verzoek tot verlening van een octrooi;
2°een beschrijving van de uitvinding;
3°één of meer conclusies;
4°de tekeningen waarnaar de beschrijving of de conclusies verwijzen;
5°een uittreksel;
6°een vermelding van de geografische oorsprong van het biologisch materiaal van plantaardige of dierlijke oorsprong op basis waarvan de uitvinding ontwikkeld werd, indien deze bekend is. De Koning kan de toepasselijke voorwaarden en uitvoeringsmaatregelen vastleggen;
7°de aanduiding van de uitvinder of het verzoek bedoeld in artikel XI.13, eerste lid.
§ 2.Elke octrooiaanvraag geeft aanleiding tot betaling van de indieningstaks; het bewijs van betaling van deze taks dient uiterlijk één maand na de indiening van de aanvraag aan de Dienst toe te komen.
Art. XI.17
§ 1.Voor zover aan de bepalingen van artikel XI.15 is voldaan en onverminderd het bepaalde in de paragrafen 4 tot en met 9, is de datum van de indiening van de octrooiaanvraag de datum waarop de Dienst alle volgende onderdelen van de aanvrager heeft ontvangen:
1°een expliciete of impliciete aanduiding dat de onderdelen als een octrooiaanvraag zijn bedoeld;
2°gegevens waarmee de identiteit van de aanvrager kan worden vastgesteld en die de Dienst in staat stellen in contact te treden met de aanvrager;
3°een deel dat op het eerste gezicht een beschrijving lijkt te zijn.
§ 2.Ten behoeve van de toekenning van een datum van indiening wordt een tekening aanvaard als onderdeel bedoeld in paragraaf 1, 3°.
§ 3.Indien de in paragraaf 1, 1° en 2°, bedoelde elementen niet worden ingediend in de taal als bedoeld in de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, is paragraaf 5 van toepassing.
In afwijking op de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, kan het deel bedoeld in paragraaf 1, 3°, ten behoeve van de toekenning van de datum van indiening, in elke taal worden ingediend.
§ 4.Indien de aanvraag niet voldoet aan één of meer van de in paragraaf 1 gehanteerde vereisten, stelt de Dienst de aanvrager zo spoedig mogelijk daarvan in kennis en stelt hem daarbij in de gelegenheid te voldoen aan die vereisten en commentaar te leveren binnen een door de Koning voorgeschreven termijn.
§ 5.Indien aan een of meer van de in paragraaf 1 gehanteerde vereisten niet wordt voldaan in de aanvraag zoals deze aanvankelijk werd ingediend, is de datum van indiening, onverminderd de bepalingen van het tweede lid en paragraaf 7, de datum waarop alsnog aan alle in paragraaf 1 gehanteerde vereisten wordt voldaan.
Indien aan één of meer van de vereisten bedoeld in het eerste lid niet binnen de door de Koning voorgeschreven termijn wordt voldaan, wordt de aanvraag geacht niet te zijn ingediend. Indien de aanvraag geacht wordt niet te zijn ingediend, geeft de Dienst de aanvrager, met opgaaf van de redenen, daarvan kennis.
§ 6.Indien, bij het vaststellen van de datum van indiening, de Dienst ontdekt dat een deel van de beschrijving blijkt te ontbreken in de aanvraag of dat de aanvraag verwijst naar een tekening die blijkt te ontbreken in de aanvraag, geeft de Dienst de aanvrager daarvan onverwijld kennis.
§ 7.Wanneer een ontbrekend deel van de beschrijving of een ontbrekende tekening wordt ingediend bij de Dienst binnen de door de Koning voorgeschreven termijn, wordt dat deel van de beschrijving of die tekening gevoegd bij de aanvraag, en is de datum van indiening, onverminderd de bepalingen van het tweede en derde lid, de datum waarop de Dienst dat deel van de beschrijving of die tekening heeft ontvangen, of de datum waarop aan alle in paragrafen 1 en 2 vermelde vereisten zijn voldaan, naar gelang van wat het laatst is.
Wanneer het ontbrekende deel van de beschrijving of de ontbrekende tekening wordt ingediend bij de Dienst overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid om een onvolledige aanvraag te regulariseren die op de datum waarop minstens één van de elementen bedoeld in paragraaf 1 voor het eerst werden ontvangen door de Dienst, een beroep doet op een recht van voorrang op grond van een eerdere aanvraag, is de datum van indiening, op een binnen de door de Koning voorgeschreven termijn ingediend verzoek van de aanvrager en, onverminderd de door de Koning voorgeschreven vereisten, en onder voorbehoud dat de ontbrekende onderdelen die later worden toegevoegd, voorkomen in het voorrangsdocument, de datum waarop aan alle in paragraaf 1 en 2 gestelde vereisten is voldaan.
Wanneer het ontbrekende deel van de beschrijving of de ontbrekende tekening ingediend volgens de bepalingen van het eerste lid vervolgens wordt ingetrokken binnen een door de Koning vastgestelde termijn, is de datum van indiening de datum waarop aan de door paragrafen 1 en 2 gestelde vereisten is voldaan.
§ 8.Onverminderd de door de Koning vastgestelde vereisten, vervangt een verwijzing naar een eerder ingediende aanvraag, bij de indiening van de aanvraag ten behoeve van de toekenning van de datum van indiening van de aanvraag, de beschrijving en eventuele tekeningen.
Indien niet wordt voldaan aan de vereisten bedoeld in het eerste lid, wordt de aanvraag geacht niet te zijn ingediend. In dit geval, geeft de Dienst de aanvrager daarvan, met opgaaf van de redenen, kennis.
§ 9.Wanneer aan alle in paragraaf 1 bepaalde voorwaarden wordt voldaan, deelt de Dienst aan de aanvrager de datum van indiening die aan de aanvraag wordt toegekend, mee.
§ 10.Geen enkele bepaling uit dit artikel beperkt het recht van een aanvrager uit hoofde van artikel 4G, 1) of 2), van het Verdrag van Parijs om, als datum van een afgesplitste aanvraag zoals bedoeld in dat artikel, de datum van de oorspronkelijke aanvraag als bedoeld in dat artikel aan te houden en het genot van een eventueel recht van voorrang te behouden.
Art. XI.18
§ 1.De uitvinding moet in de octrooiaanvraag zodanig duidelijk en volledig worden beschreven dat zij door een deskundige kan worden toegepast.
Wanneer een uitvinding ofwel betrekking heeft op biologisch materiaal dat niet openbaar toegankelijk is en in de octrooiaanvraag niet zodanig kan worden omschreven dat de uitvinding door een vakkundige kan worden toegepast, ofwel het gebruik van dergelijk materiaal impliceert, wordt voor de toepassing van het octrooirecht de beschrijving slechts toereikend geacht indien het biologisch materiaal uiterlijk op de dag van de indiening van de octrooiaanvraag bij een erkende depositaris is gedeponeerd en indien voldaan wordt aan de voorwaarden vastgesteld door de Koning.
Wanneer in de octrooiaanvraag sequenties van nucleotiden of aminozuren worden aangeduid, dient de beschrijving een lijst van deze sequenties te bevatten. De Koning kan de vorm bepalen waaronder deze sequenties dienen te worden beschreven.
§ 2.De conclusie(s) beschrijven het onderwerp waarvoor bescherming wordt gevraagd. Zij dienen duidelijk en beknopt te zijn en steun te vinden in de beschrijving.
§ 3.Tekeningen worden toegevoegd indien zij nodig zijn om de uitvinding te begrijpen.
§ 4.Het uittreksel, zo nodig vergezeld van een tekening, is alleen bedoeld als technische informatie; het kan niet in aanmerking komen voor enig ander doel. Het kan worden onderworpen aan de controle van de Dienst.
Art. XI.19
§ 1.De octrooiaanvraag mag slechts op één enkele uitvinding betrekking hebben, of een groep van uitvindingen die zodanig onderling verbonden zijn dat zij op een enkele algemene uitvindingsgedachte berusten.
§ 2.Iedere aanvraag welke niet aan de voorwaarden in paragraaf 1, voldoet, dient binnen de door de Koning voorgeschreven termijn ofwel beperkt te worden tot één enkele uitvinding of tot een enkele algemene uitvindingsgedachte als bedoeld in paragraaf 1, ofwel afgesplitst te worden zodat de oorspronkelijke aanvraag en de afgesplitste aanvraag of aanvragen elk één uitvinding of een enkele algemene uitvindingsgedachte als bedoeld in paragraaf 1, tot voorwerp hebben.
§ 3.Een beperkte of afgesplitste aanvraag kan slechts worden ingediend voor onderwerpen die door de inhoud van de oorspronkelijke aanvraag zoals die is ingediend, worden gedekt. Voor zover aan deze eis is voldaan, wordt de beperkte of afgesplitste aanvraag geacht te zijn ingediend op de datum van indiening van de oorspronkelijke aanvraag en geniet zij desgevallend het recht van voorrang daarvan.
§ 4.De aanvrager kan, op eigen initiatief, zijn aanvraag beperken of een afgesplitste aanvraag indienen binnen de door de Koning voorgeschreven termijn.
Wanneer de octrooiaanvraag het voorwerp uitmaakt van een verslag van nieuwheidsonderzoek dat een gebrek aan eenheid van uitvinding als bedoeld in paragraaf 1, vermeldt, en wanneer de aanvrager zijn aanvraag niet beperkt en geen afgesplitste aanvraag indient overeenkomstig het verslag van nieuwheidsonderzoek, zal het verleende octrooi beperkt zijn tot de octrooiconclusies waarvoor het verslag van nieuwheidsonderzoek werd opgesteld.
§ 5.Elke niet overeenkomstig de bepalingen van dit artikel beperkte of afgesplitste octrooiaanvraag kan worden afgewezen.
Art. XI.20
§ 1.De octrooiaanvrager die zich wil beroepen op het recht van voorrang van een eerdere indiening voorzien door het Verdrag van Parijs of door de TRIPs-Overeenkomst, moet een verklaring van voorrang alsook een afschrift van de eerdere aanvraag indienen volgens de door de Koning bepaalde voorwaarden, en binnen de door de Koning bepaalde termijnen.
De octrooiaanvrager kan bij de verklaring van voorrang, in de plaats van een afschrift van de eerdere aanvraag, ook verwijzen naar een door de Koning aangewezen databank.
Onverminderd de toepassing van de internationale overeenkomsten in deze materie, mag de eerdere indiening met name bestaan uit een eerste regelmatige indiening van een octrooiaanvraag in één van de Staten die partij zijn bij het Verdrag van Parijs of bij de Wereldhandelsorganisatie of van een regionale octrooiaanvraag, of van een internationale octrooiaanvraag.
Het voorrangsrecht voortvloeiend uit een eerste indiening in een Staat die geen partij is bij het Verdrag van Parijs, mag slechts onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde gevolgen als bepaald in dat Verdrag, worden opgeëist indien deze Staat krachtens een internationaal verdrag, op grond van een eerste indiening van een Belgische octrooiaanvraag, of van een Europese octrooiaanvraag, of van een internationale octrooiaanvraag, een voorrangsrecht erkent onder vergelijkbare voorwaarden en met vergelijkbare rechtsgevolgen als die welke zijn bedoeld in het Verdrag van Parijs.
§ 2.De aanvrager van een Belgisch octrooi heeft eveneens het genot van een voorrang die gelijkwaardig is aan die bedoeld in paragraaf 1 wanneer hij, volgens de voorwaarden en binnen de termijn bepaald door de Koning, een verklaring van voorrang op basis van een eerdere Belgische octrooiaanvraag en een afschrift van de eerdere Belgische octrooiaanvraag, indient.
De octrooiaanvrager kan bij de verklaring van voorrang, ook verwijzen naar een door de Koning aangewezen databank.
§ 3.Voor een octrooiaanvraag kan op meer dan één recht van voorrang een beroep worden gedaan, zelfs indien de rechten van voorrang uit verschillende Staten afkomstig zijn. Ook kan voor eenzelfde conclusie op meer dan één recht van voorrang een beroep worden gedaan. Indien op meer dan één recht van voorrang een beroep wordt gedaan, worden de termijnen, die beginnen op de voorrangsdatum, berekend vanaf de vroegste voorrangsdatum.
§ 4.Indien voor een octrooiaanvraag op één of meer rechten van voorrang een beroep wordt gedaan, geldt het recht van voorrang alleen voor die elementen van de octrooiaanvraag, die zijn vervat in de aanvraag of aanvragen, waarop het beroep op het recht van voorrang steunt.
§ 5.Indien bepaalde elementen van de uitvinding, waarvoor een beroep op het recht van voorrang is gedaan, niet voorkomen in de conclusies welke staan vermeld in de eerdere aanvraag, kan voorrang worden erkend, indien uit de gezamenlijke stukken van de eerdere aanvraag deze elementen duidelijk blijken.
§ 6.Voor de toepassing van artikel XI.6, §§ 2 en 3 heeft het voorrangsrecht voor gevolg dat de datum van voorrang beschouwd wordt als zijnde de datum van de indiening van de octrooiaanvraag.
§ 7.De Koning kan de opeising van een voorrangsrecht onderwerpen aan een taks welke dient gekweten te worden binnen de termijn en overeenkomstig de door Hem vastgestelde modaliteiten.
Indien de Koning krachtens het eerste lid de taks vaststelt, brengt het niet betalen van de taks binnen de termijn en volgens de voorwaarden vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, van rechtswege het verlies van het voorrangsrecht mede ten aanzien van de beschouwde octrooiaanvraag.
De Koning houdt bij het al dan niet bepalen van de taks, en desgevallend bij het vaststellen van de hoogte van de taks, minstens rekening met de volgende criteria:
1°de toegankelijkheid tot het Belgische octrooisysteem; en
2°de verhouding tussen de kost voor de Dienst voor het beheer van de in het eerste lid bedoelde taks, en de inkomsten die deze taks genereert.
§ 8.Behoudens in de door de Koning bepaalde gevallen, wordt er een verbetering van een beroep op voorrang of de toevoeging van een dergelijk beroep aan een aanvraag (de "vervolgaanvraag") toegestaan indien:
1°in overeenstemming met de door de Koning voorgeschreven vereisten daartoe een verzoekschrift tot de Dienst is gericht;
2°het verzoekschrift is ingediend binnen de door de Koning voorgeschreven termijn;
3°de datum van indiening van de vervolgaanvraag niet later valt dan de datum van het verstrijken van de termijn van voorrang, gerekend vanaf de datum van indiening van de eerste aanvraag waarvan de voorrang wordt ingeroepen.
Het verzoekschrift kan niet, geheel of ten dele, worden afgewezen zonder dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door de Koning vastgestelde termijn commentaar te leveren op de voorgenomen weigering.
§ 9.Wanneer een aanvraag (de "vervolgaanvraag") waarin een beroep wordt gedaan, of gedaan zou kunnen worden, op de voorrang van een eerdere aanvraag, een datum van indiening heeft die later valt dan de datum waarop de voorrangstermijn is verstreken, maar binnen de door de Koning voorgeschreven termijn, dan herstelt de Dienst het recht van voorrang indien:
1°in overeenstemming met de door de Koning voorgeschreven vereisten daartoe een verzoekschrift tot de Dienst is gericht;
2°het verzoekschrift is ingediend binnen de door de Koning vastgestelde termijn;
3°in het verzoek de redenen worden vermeld waarom de termijn van voorrang niet in acht is genomen;
4°de Dienst vaststelt dat het verzuim om de vervolgaanvraag binnen de voorrangstermijn in te dienen, is ontstaan ondanks betrachting van de in de omstandigheden vereiste zorgvuldigheid.
Het verzoek tot herstel van voorrang wordt in het register ingeschreven.
Het verzoekschrift kan niet, geheel of ten dele, worden afgewezen zonder dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door de Koning vastgestelde termijn commentaar te leveren op de voorgenomen weigering.
De beslissing tot herstel of tot weigering wordt in het register gepubliceerd.
§ 10.Wanneer een afschrift van een eerdere aanvraag dat ingeroepen wordt als bewijs van voorrang niet binnen een door de Koning bepaalde termijn bij de Dienst is ingediend, herstelt de Dienst het recht van voorrang indien:
1°in overeenstemming met de door de Koning voorgeschreven vereisten daartoe een verzoekschrift tot de Dienst wordt gericht;
2°het verzoekschrift is ingediend binnen de door de Koning voorgeschreven termijn voor het indienen van het afschrift van de eerdere aanvraag;
3°de Dienst vaststelt dat binnen de door de Koning voorgeschreven termijn het verzoek om het te verstrekken afschrift is ingediend bij het bureau waarbij de eerdere aanvraag is ingediend;
4°een afschrift van de eerdere aanvraag binnen de door de Koning voorgeschreven termijn wordt ingediend.
Het verzoek tot herstel van voorrangsrecht wordt in het register ingeschreven.
Het verzoekschrift kan niet, geheel of ten dele, worden afgewezen zonder dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door de Koning vastgestelde termijn commentaar te leveren op de voorgenomen weigering.
De beslissing tot herstel of tot weigering wordt in het register gepubliceerd.
§ 11.Het indienen van een verzoekschrift in de zin van paragrafen 8, 9 en 10 geeft aanleiding tot het betalen van de door de Koning vastgestelde taks.
Het verzoekschrift bedoeld in paragrafen 8, 9 en 10 is van rechtswege zonder gevolg indien de in het eerste lid bedoelde taks niet in de door de Koning bepaalde termijn werd betaald.
Art. XI.20/1
De Dienst kan de eensluidend verklaarde Belgische octrooiaanvraag, vergezeld van een verklaring waarin de datum van indiening van de aanvraag wordt vermeld, beschikbaar stellen in een door de Koning aangewezen databank, overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels die Hij bepaalt.
Art. XI.21
§ 1.Indien de octrooiaanvraag wel beantwoordt aan de in het artikel XI.17 gestelde voorwaarden doch niet aan de andere wettelijke of reglementaire voorwaarden, geeft de Dienst de aanvrager daarvan kennis, en stelt hem daarbij in de gelegenheid zijn aanvraag te regulariseren en commentaar te leveren binnen een door de Koning vastgestelde termijn en mits betaling van een eenmalige taks voor de gehele regularisatie van de aanvraag.
Bij het verstrijken van die termijn wordt de niet-geregulariseerde aanvraag geacht te zijn ingetrokken.
Indien binnen de door de Koning vastgestelde termijn niet wordt voldaan aan een vereiste ten aanzien van een beroep op voorrang, dan wordt het beroep op voorrang, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel XI.20, §§ 8 tot en met 11, geacht niet te bestaan.
§ 2.Indien de octrooiaanvraag wel beantwoordt aan de in het artikel XI.17 gestelde voorwaarden doch niet aan de andere wettelijke of reglementaire voorwaarden, dan mag de aanvrager ook zonder daartoe te zijn uitgenodigd door de Dienst overeenkomstig paragraaf 1, overgaan tot het regulariseren van de aanvraag zolang het octrooi niet is verleend.... In dat geval is de eenmalige regularisatietaks niet verschuldigd.
§ 3.Wanneer de ingevolge artikel XI.16, § 2, te betalen taks ten aanzien van de indiening van de aanvraag niet wordt betaald, dan nodigt de Dienst de aanvrager uit tot het betalen van deze taks en van een bijtaks binnen de door de Koning vastgestelde termijn. Bij het verstrijken van die termijn wordt de aanvraag waarvoor de ingevolge artikel XI.16, § 2, te betalen taks onbetaald is gebleven, geacht te zijn ingetrokken.
§ 4.De uit de octrooiaanvraag voortvloeiende rechtsgevolgen worden als nietig en van generlei waarde beschouwd, indien de octrooiaanvraag is ingetrokken of is afgewezen bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bepalingen van het Verdrag van Parijs houdende de verkrijging van het voorrangsrecht.
Art. XI.22
De octrooiaanvrager kan op eigen initiatief taalfouten of fouten van overschrijving verbeteren volgens de door de Koning bepaalde voorwaarden en binnen de door de Koning voorgeschreven termijn.
De Koning kan een taks voor de in het eerste lid bedoelde verbetering vaststellen.
De Koning houdt bij het al dan niet bepalen van de taks, en desgevallend bij het vaststellen van de hoogte van de taks, minstens rekening met de volgende criteria:
1°de toegankelijkheid tot het Belgische octrooisysteem; en
2°de verhouding tussen de kost voor de Dienst voor het beheer van de in het tweede lid bedoelde taks, en de inkomsten die deze taks genereert; en
3°de responsabilisering van de octrooiaanvrager.
Art. XI.23
§ 1.De octrooiaanvraag kan worden gewijzigd tijdens de procedure voor de Dienst of voor de rechtbanken in overeenstemming met de wet en de uitvoeringsbesluiten.
§ 2.De octrooiaanvraag wordt gevolgd door het opstellen van een verslag van nieuwheidsonderzoek aangaande de uitvinding.
Het wordt, bij wijze van voorlichting van de aanvrager, vergezeld van een schriftelijke opinie over de octrooieerbaarheid van de uitvinding aan de hand van de vermelde documenten. Deze opinie is voor derden toegankelijk in het dossier van het verleende octrooi.
§ 3.Het verslag van nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie worden opgemaakt door een door de Koning aangewezen intergouvernementele instelling.
Dit verslag en deze schriftelijke opinie worden opgesteld op grond van de conclusies, rekening houdende met de beschrijving en desgevallend met de tekeningen. Ze vermelden de gegevens van de stand der techniek welke kunnen in acht worden genomen bij de beoordeling van de nieuwheid van de uitvinding, en van de uitvinderswerkzaamheid.
§ 4.De aanvrager dient een taks voor opzoeking te kwijten, die de kosten omvat voor de overhandiging van de in paragraaf 2 vermelde schriftelijke opinie, waarbij de Koning het bedrag, de termijn en de wijze van betaling bepaalt. Om onder meer de draagkracht van het systeem van financiering door de Staat zoals bedoeld in het derde lid te vrijwaren, kan de Koning een hoger bedrag bepalen voor de aanvragen die niet voldoen aan de voorwaarden die Hij bepaalt.
Indien het hoger bedrag bedoeld in het eerste lid is bepaald, dient de aanvrager een schriftelijke verklaring in waarin hij aanduidt of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden vastgesteld op grond van het eerste lid. Ongeacht of het octrooi nog in aanvraag is of al werd verleend, bezorgt de aanvrager de Dienst op zijn vraag alle inlichtingen ter staving van zijn verklaring binnen de termijn die de Koning bepaalt. Indien de Dienst vaststelt dat de aanvrager geen verklaring heeft afgelegd binnen de termijn die de Koning bepaalt, dat deze onjuist is of dat de aanvrager de Dienst op zijn vraag niet alle inlichtingen ter staving van zijn verklaring heeft bezorgd, is de taks voor opzoeking voor de aanvraag het hoger bedrag bedoeld in het eerste lid vermeerderd met een toeslag. De Koning bepaalt het bedrag van de toeslag alsook de termijn en de wijze van betaling ervan.
Het verschil, als er een is, tussen de vergoeding die aan de intergouvernementele instelling als bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, moet worden betaald voor het afleveren van de verslagen van nieuwheidsonderzoek en de onderzoekstaks wordt ten laste genomen door de Staat.
De octrooiaanvraag of het octrooi houdt op uitwerking te hebben indien de onderzoekstaks en, in voorkomend geval, de toeslag niet binnen de in het eerste lid of, in voorkomend geval, tweede lid bedoelde termijn wordt gekweten.
§ 5.De Dienst verwittigt de aanvrager van het naderende einde van de termijn binnen welke hij zijn opzoekingstaks dient te kwijten en van de gevolgen die zouden voortvloeien uit het niet-betalen van die taks. Een afschrift van deze verwittiging wordt door de Dienst overgemaakt aan de vruchtgebruiker, pandhouder of beslaglegger en aan de licentiehouder die in het register zijn ingeschreven.
Een afschrift van de verwittiging wordt door de Dienst eveneens overgemaakt aan de persoon wiens vordering tot opeising van de octrooiaanvraag in het register werd ingeschreven.
In afwijking van het bepaalde in paragraaf 4 van dit artikel, mag de opeiser zijn opzoekingstaks kwijten in de door deze paragraaf aangegeven termijn. Indien de houder van de octrooiaanvraag eveneens deze taks kwijt, betaalt de Dienst aan de opeiser de door hem betaalde taks terug.
Ingeval van afwijzing of afstand van vordering tot opeising kan de opeiser die de opzoekingstaks heeft betaald de terugbetaling van deze taks niet opeisen bij de Dienst, noch bij de houder van de octrooiaanvraag, wanneer de houder nagelaten heeft de taks te betalen.
De verwittigingen en de afschriften worden door de Dienst naar het laatstgekende adres van de belanghebbende gezonden. Het niet-verzenden of het niet-ontvangen van deze verwittigingen of afschriften geeft geen vrijstelling van betaling van de opzoekingstaks binnen de voorgeschreven termijn; daarop kan noch in rechte, noch ten opzichte van de Dienst beroep worden gedaan.
§ 6.De Dienst verzendt het verslag van nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie aan de aanvrager die een nieuwe tekst van de conclusies en van het uittreksel kan indienen. De aanvrager die een nieuwe tekst van de conclusies heeft ingediend, wijzigt de beschrijving om deze in overeenstemming te brengen met de nieuwe conclusies.
De aanvrager kan, ter informatie, tevens schriftelijke commentaren indienen betreffende de schriftelijke opinie die hem werd verzonden.
De octrooiaanvraag kan niet zodanig worden gewijzigd dat haar voorwerp verder reikt dan de inhoud van de octrooiaanvraag zoals zij werd ingediend.
De Koning stelt de voorwaarden en termijnen vast die dienen in acht genomen te worden voor de wijziging van de conclusies, van de beschrijving en van het uittreksel in het kader van deze paragraaf.
§ 7.De Koning bepaalt de voorwaarden en stelt de termijnen vast binnen welke het verslag van nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie dienen opgemaakt te worden, de commentaren dienen te worden ingediend en de wijzigingen aan de conclusies, aan de beschrijving en aan het uittreksel dienen te geschieden.
§ 8.Indien de uitvinding, waarvoor een octrooi aangevraagd wordt, onder de toepassing valt van de wet van 10 januari 1955, mag de procedure voorzien in dit artikel slechts aangewend worden vanaf het ogenblik waarop het uitvindingsgeheim opgeheven wordt.
§ 9.Indien een verslag van nieuwheidsonderzoek en de begeleidende schriftelijke opinie, opgemaakt door de intergouvernementele instelling bedoeld in paragraaf 3 die handelen over een uitvinding die identiek is aan deze waarvoor een octrooiaanvraag in België ingediend is, vóór de afloop van de termijn vastgelegd voor de kwijting van de opzoekingstaks bedoeld in paragraaf 4 in de verleningsprocedure van een Belgisch of buitenlands, nationaal of regionaal octrooi, of in de procedure van de internationale octrooiaanvraag aangevraagd werden, mag de Koning beslissen dat dit verslag van nieuwheidsonderzoek en deze schriftelijke opinie, onder de voorwaarden door Hem vastgelegd, zullen kunnen aangewend worden, op verzoek van de aanvrager, bij de verleningsprocedure van het Belgisch octrooi.
§ 10.Op verzoek van de aanvrager, gericht aan de Dienst binnen de termijn bepaald in paragraaf 4, onderwerpt de Dienst de uitvinding, voorwerp der octrooiaanvraag, aan het nieuwheidsonderzoek van het internationale type zoals bedoeld in artikel 15, lid 5, a) van het Samenwerkingsverdrag. Dit onderzoek maakt het nieuwheidsonderzoek uit aangaande de in paragraaf 2 van onderhavig artikel bedoelde uitvinding.
De Koning kan een taks vaststellen voor de indiening van een in het eerste lid bedoelde verzoek, die dient te worden gekweten binnen de termijn en overeenkomstig de door de Koning vastgestelde modaliteiten.
Indien de Koning krachtens het tweede lid de taks vaststelt, heeft het niet betalen van de taks binnen de termijn en volgens de voorwaarden vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, tot gevolg dat het verzoekschrift van rechtswege wordt geacht niet te zijn ingediend.
De Koning houdt bij het al dan niet bepalen van de taks, en desgevallend bij het vaststellen van de hoogte van de taks, minstens rekening met de volgende criteria:
1°de toegankelijkheid tot het Belgische octrooisysteem; en
2°de verhouding tussen de kost voor de Dienst voor het beheer van de in het tweede lid bedoelde taks, en de inkomsten die deze taks genereert.
Art. XI.24
§ 1.Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel XI.47, § 2, wordt de vervulling van de formaliteiten die voorgeschreven zijn voor de verlening van het octrooi bekrachtigd door een ministerieel besluit. Dit besluit maakt het octrooi uit.
§ 2.Het besluit wordt zo vlug mogelijk verleend na het verstrijken van een termijn van achttien maanden te rekenen vanaf de datum van indiening van de octrooiaanvraag of, indien een recht van voorrang werd ingeroepen overeenkomstig de bepalingen van artikel XI.20, vanaf de datum van de oudste voorrang aangeduid in de verklaring van voorrang.
Op verzoek van de aanvrager wordt het besluit verleend vóór het verstrijken van de in het eerste lid bepaalde termijn van zodra de formaliteiten, die voorgeschreven zijn voor de verlening van het octrooi, vervuld zijn.
§ 3.Onverminderd de paragrafen 3/1 en 3/2 en de wet van 10 januari 1955, maakt de Dienst de octrooiaanvraag toegankelijk voor het publiek bij het verstrijken van de termijn van achttien maanden bedoeld in paragraaf 2, eerste lid.
De vermelding volgens dewelke de aanvraag voor het publiek toegankelijk is gemaakt, wordt in het register opgenomen.
§ 3/1.De aanvrager die niet wenst dat zijn octrooiaanvraag toegankelijk voor het publiek wordt gemaakt, dient bij de Dienst, binnen de in het tweede lid vastgestelde termijn, een verzoek tot intrekking van zijn aanvraag in. De Koning bepaalt de nadere regels van dit verzoek.
De octrooiaanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt niet voor het publiek toegankelijk gemaakt wanneer deze aanvraag werd ingetrokken of wordt geacht te zijn ingetrokken voor het einde van de zeventiende maand te rekenen vanaf de datum van indiening van de octrooiaanvraag of, indien een recht van voorrang wordt ingeroepen overeenkomstig de bepalingen van artikel XI.20, vanaf de oudste voorrang aangeduid in de verklaring van voorrang, of op een latere datum in zoverre het nog mogelijk is de publicatie van de octrooiaanvraag te verhinderen.
Indien rechten van vruchtgebruik, pand- of licentierechten ingeschreven zijn in het register, kan de aanvraag enkel met instemming van de houders van deze rechten worden ingetrokken. Een octrooiaanvraag die het voorwerp is van een opeising van eigendom of van een beslag kan niet worden ingetrokken. Elke intrekking uitgevoerd in overtreding van dit artikel is van rechtswege nietig.
§ 3/2.Op verzoek gericht aan de Dienst door de aanvrager, of desgevallend door de vruchtgebruiker, wordt de aanvraag voor het publiek toegankelijk gemaakt vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in paragraaf 2, eerste lid.
§ 4.De verlening van de octrooien geschiedt zonder voorafgaand onderzoek van hun octrooieerbaarheid, zonder waarborg voor hun waarde of van de juistheid van de beschrijving der uitvindingen en op eigen risico van de aanvrager.
De in artikel XI.23, § 2, beoogde schriftelijke opinie bindt de Dienst geenszins en kan niet gelden als onderzoek naar de octrooieerbaarheid van de uitvinding.
§ 5.Onverminderd de toepassing van de wetsbepaling van 10 januari 1955, wordt melding gemaakt van de verlening der octrooien in het register.
Art. XI.25
§ 1.Onder de voorwaarden bedoeld in artikel XI.24, §§ 3 tot 5, maakt de Dienst de octrooiaanvraag toegankelijk voor het publiek via het register.
Zodra de octrooiaanvraag toegankelijk voor het publiek is gemaakt met toepassing van het eerste lid, wordt het aanvraagdossier onderworpen aan de inzage ten behoeve van het publiek via het register.
§ 2.Zodra het octrooi verleend is, wordt het octrooidossier, onder voorbehoud van de toepassing van de wet van 10 januari 1955, onderworpen aan de inzage ten behoeve van het publiek via het register.
Vanaf dat tijdstip kan hiervan, in de door de Koning vastgestelde voorwaarden en vormen, afschrift worden bekomen.
§ 3.De aanvraag- en octrooidossiers die op grond van de paragrafen 1 en 2 onderworpen zijn aan de inzage ten behoeve van het publiek bevatten alle informatie en stukken betreffende de octrooiverleningsprocedure, met name:
1°de octrooiaanvraag;
2°het ministerieel besluit van octrooiverlening;
3°de beschrijving der uitvinding, de conclusies, de eventuele oorspronkelijke versies van de conclusies, de tekeningen waarnaar de beschrijving verwijst, het verslag van nieuwheidsonderzoek aangaande de uitvinding, de schriftelijke opinie, alsook in voorkomend geval de commentaren, de nieuwe tekst der conclusies, en de gewijzigde beschrijving;
4°de stukken die betrekking hebben op het in het Verdrag van Parijs bedoelde recht van voorrang;
5°de persoonsgegevens wanneer die vereist zijn voor de uitvoering van de opdrachten van algemeen belang toevertrouwd aan de Dienst door en krachtens de bepalingen van deze titel, overeenkomstig artikel XI.80/1, § 3.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de verwerking van die gegevens.
§ 4.Zijn niet van ambtswege onderworpen aan de inzage ten behoeve van het publiek door de Dienst op grond van de paragrafen 1 en 2:
1°medische attesten;
2°de vermelding van de uitvinder indien deze hiertoe een verzoekschrift heeft ingediend met toepassing van artikel XI.13, evenals dit verzoekschrift.
§ 5.De Koning bepaalt welke andere stukken of gegevens, in afwijking van de paragrafen 1 en 2, niet onderworpen zijn aan de inzage ten behoeve van het publiek.
Art. XI.26
Het in artikel XI.3 bedoeld uitsluitend recht heeft uitwerking vanaf de dag waarop het octrooi ter inzage van het publiek is gelegd.
Art. XI.27
§ 1.De Dienst stelt het register en de Verzameling via elektronische weg ter beschikking van het publiek. De Koning bepaalt de nadere regels voor het bijhouden van het register en de Verzameling alsook de voorwaarden van beschikbaarstelling voor het publiek van het register en de Verzameling.
§ 2.De Dienst vermeldt in de Verzameling de inschrijvingen opgenomen in het register. De bibliografische gegevens van de gepubliceerde octrooiaanvragen, van de verleende octrooien en van de gepubliceerde octrooiaanvragen en verleende octrooien die zijn gewijzigd met toepassing van de artikelen XI.55, XI.56 en XI.57 worden vermeld in de Verzameling.
§ 3.Naast de inschrijvingen vermeld in dit Wetboek, somt de Koning de inschrijvingen in het register en in de Verzameling overeenkomstig artikelen XI.80/1 en XI.80/2 op.
§ 4.Behalve in gevallen die door de Koning zijn vastgesteld, blijven de inschrijvingen in het register en in de Verzameling voor onbeperkte duur onderworpen aan de inzage ten behoeve van het publiek.