Alle wetboeken › WER

BOEK VII - BETALINGS- EN KREDIETDIENSTEN. › TITEL 6/1 - Waardepapieren.

HOOFDSTUK 3 - Het orderbriefje.

VII.216/77–VII.216/80

Art. VII.216/77

Het orderbriefje behelst:

1°de benaming "orderbriefje", opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal waarin de titel is gesteld;

2°de onvoorwaardelijke belofte tot betaling van een bepaalde som;

3°de aanwijzing van de vervaldag;

4°die van de plaats waar de betaling moet geschieden;

5°de naam van degene aan wie of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;

6°de vermelding van de dagtekening, alsmede van de plaats waar het orderbriefje is ondertekend;

7°de handtekening van degene die de titel uitgeeft (ondertekenaar).

Art. VII.216/78

De titel waarin een der vermeldingen, in artikel VII.216/77 aangegeven, ontbreekt, geldt niet als orderbriefje, behoudens in de hieronder in dit artikel genoemde gevallen.

Het orderbriefje waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.

Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats van de ondertekening van de titel geacht te zijn de plaats van betaling en tevens die van de woonplaats van de ondertekenaar.

Het orderbriefje dat niet de plaats vermeldt waar het is ondertekend, wordt geacht te zijn ondertekend in de plaats aangegeven naast de naam van de ondertekenaar.

Art. VII.216/79

Voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de aard van het orderbriefje, zijn daarop toepasselijk de bepalingen over wisselbrieven betreffende:

1°het endossement (artikelen VII.216/12 tot VII. 216/21);

2°de vervaldag (artikelen VII.216/34 tot VII.216/38);

3°de betaling (artikelen VII.216/39 tot VII.216/43);

4°het recht van regres in geval van niet-betaling (artikelen VII.216/44 tot VII.216/51, VII.216/53 tot VII.216/55);

5°de betaling bij tussenkomst (artikelen VII.216/56, VII.216/60 tot VII.216/64);

6°de wisselafschriften (artikelen VII.216/68 en VII.216/69);

7°de tekstveranderingen (artikel VII.216/70);

8°de verjaring (artikelen VII.216/71, VII.216/72 en VII.216/73);

9°de feestdagen, de berekening der termijnen en het verbod van uitsteldagen (artikelen VII.216/74, VII.216/75 en VII.216/76);

10°de betaling van een vermiste wisselbrief (artikelen VII.216/88 tot VII.216/93);

11°het conservatoir beslag (artikel VII.216/96).

Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende de wisselbrief, betaalbaar bij een derde of in een andere plaats dan die van de woonplaats van de betrokkene (artikelen VII.216/5 en VII.216/28), de renteclausule (artikel VII.216/6), de verschillen in de vermelding met betrekking tot de som die moet worden betaald (artikel VII.216/7), de gevolgen van het plaatsen van een handtekening onder de omstandigheden bedoeld in artikel VII.216/8, die van de handtekening van een persoon die handelt zonder bevoegdheid of die zijn bevoegdheid overschrijdt (artikel VII.216/9), en de wisselbrief in blanco (artikel VII.216/11).

Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende het aval (artikelen VII.216/31 tot VII.216/33); indien in het geval bepaald bij artikel VII.216/32, vierde lid, het aval niet vermeldt voor wie het is gegeven, wordt het geacht voor rekening van de ondertekenaar van het orderbriefje te zijn gegeven.

Het vijfde lid van artikel VII.216/3 en de artikelen VII.216/72 en VII.216/95 van dit Wetboek zijn eveneens op het orderbriefje van toepassing.

Art. VII.216/80

De ondertekenaar van een orderbriefje is op dezelfde wijze verbonden als de acceptant van een wisselbrief.

De orderbriefjes, betaalbaar een zekere tijd na zicht, moeten ter tekening voor "gezien" aan de ondertekenaar worden aangeboden binnen de bij artikel VII.216/24 vastgestelde termijnen. De zichttermijn loopt van de dagtekening van het visum, door de ondertekenaar op het orderbriefje geplaatst. Zijn weigering om het gedagtekend visum te plaatsen, wordt vastgesteld door een protest (artikel VII.216/26) en de zichttermijn begint te lopen van de dagtekening van het protest.