§ 1.Onverminderd paragraaf 6, geschiedt de inbreng in waarde niettegenstaande elk andersluidend beding, hetzij door mindere ontvangst, hetzij door de betaling aan de massa van de waarde van het geschonken of het gelegateerde goed. De inbreng door mindere ontvangst gebeurt hetzij door vooruitneming, hetzij door verrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam schuldenaar.
Indien de inbreng door mindere ontvangst geschiedt door vooruitneming, nemen de mede-erfgenamen aan wie de inbreng verschuldigd is, een deel van gelijke waarde vooraf uit de massa van de nalatenschap. De vooruitnemingen geschieden, zoveel mogelijk, in goederen van gelijke aard, gelijke hoedanigheid en gelijke deugdelijkheid als het voorwerp van de ingebrachte giften.
Na deze vooruitnemingen worden uit hetgeen in de massa overblijft, zoveel gelijke kavels samengesteld als er deelhebbende erfgenamen of deelhebbende staken zijn.
Indien de inbreng geschiedt door aanrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam schuldenaar, dooft de schuld uit door schuldvermenging. Indien het in te brengen bedrag het aandeel van de mede-erfgenaam overtreft, geschiedt de inbreng door betaling van het overschot aan de massa. Indien de mede-erfgenaam zelf een schuldvordering ten laste van de massa heeft, wordt het op zijn aandeel in te brengen bedrag slechts aangerekend ten belope van het saldo dat na schuldvergelijking aan de massa toekomt.
§ 2.De inbreng van legaten geschiedt volgens de intrinsieke waarde van het gelegateerde goed op de dag van het openvallen van de nalatenschap.
§ 3.De inbreng van schenkingen geschiedt volgens de intrinsieke waarde van het geschonken goed op de dag van de schenking, geïndexeerd vanaf deze dag tot op de dag van het overlijden, in functie van de index der consumptieprijzen van de maand van het overlijden van de schenker, met als basisindex deze van de maand waarin de schenking werd gedaan. Er wordt geen rekening gehouden met de vruchten die het geschonken goed heeft opgebracht tussen de dag van de schenking en deze van het overlijden van de beschikker, noch met het voordeel dat de begiftigde heeft gehaald uit het genot van het goed tijdens deze periode.
Van het eerste lid wordt afgeweken wanneer de begiftigde het recht om te beschikken over de volle eigendom van het geschonken goed niet vanaf de dag van de schenking had. In dat geval, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het overlijden van de beschikker, indien de begiftigde het recht om te beschikken over de volle eigendom verkrijgt op het ogenblik van het overlijden. Indien de begiftigde het recht om over de volle eigendom te beschikken verkrijgt op een datum na het overlijden, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het overlijden, verminderd met de waarde van de lasten die de uitoefening van het beschikkingsrecht over de volle eigendom verhinderen. Indien de begiftigde het recht om over de volle eigendom te beschikken verkrijgt op een datum na de schenking, doch voor het overlijden van de beschikker, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op deze datum, geïndexeerd vanaf deze dag tot de dag van het overlijden overeenkomstig het eerste lid.
§ 4.De intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking is deze vermeld in de akte of uitgedrukt op de dag van de schenking, behoudens indien zij manifest onredelijk is gelet op de staat en de toestand van het goed op de dag van de schenking.
§ 5.De intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking vermeld in de akte of uitgedrukt op de dag van de schenking, geldt voor iedere erfgenaam die ze aanvaard heeft in de akte of bij een latere overeenkomst gesloten met de schenker en de begiftigde.
De schenker en de begiftigde kunnen overeenkomen dat de inbreng van een schenking bedoeld in paragraaf 3, tweede lid, zal geschieden volgens de intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking, geïndexeerd zoals bepaald in paragraaf 3, eerste lid. Deze waarde geldt voor iedere erfgenaam die ze aanvaard heeft in de akte of bij een latere overeenkomst gesloten met de schenker en de begiftigde.
De artikelen 1100/2 tot 1100/6 zijn van toepassing op de overeenkomst waarvan sprake in het tweede lid en de aanvaarding waarvan sprake in het eerste en het tweede lid.
De in het eerste en het tweede lid bedoelde verklaring van de erfgenamen ontneemt hen niet het recht om inkorting te vragen overeenkomstig de artikelen 920 tot 928.
§ 6.De erfgenaam die tot de inbreng is gehouden, heeft de mogelijkheid om zijn verplichting uit te voeren door het geschonken goed in natura in te brengen, voor zover dit hem nog toebehoort en dit vrij is van elke last of bezetting, waarmee het nog niet bezwaard was ten tijde van de schenking.
Deze inbreng geeft aanleiding tot de betaling van een opleg ten laste van de massa, indien de waarde van het goed dat in natura wordt ingebracht de in te brengen waarde zoals bepaald in paragraaf 3 overschrijdt. Indien de waarde van het goed dat in natura wordt ingebracht lager is dan de in te brengen waarde, is een opleg verschuldigd aan de massa, ten laste van de erfgenaam die tot inbreng is gehouden.
§ 7.Dit artikel is van toepassing niettegenstaande elk andersluidend beding, tenzij in de gevallen waarin dergelijk beding door de wet wordt toegelaten.
Opgeheven met ingang van 1 juli 2022 door de wet 2022-01-19/18, die titel 3 van boek 2 en boek 4 in het nieuwe Burgerlijk Wetboek invoerde. Hierboven staat de tekst zoals die gold tot en met 30 juni 2022. Of hij op een bepaalde situatie nog van toepassing is, hangt af van het overgangsrecht van dat boek.