Alle wetboeken › KB WVV

BOEK 3 - Jaarrekening, geconsolideerde jaarrekening en formaliteiten inzake de openbaarmaking › TITEL 1 - Gemeenschappelijke bepalingen voor vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, VZW,'s, IVZW's en stichtingen. › HOOFDSTUK 2 - Waarderingsregels

Afdeling 3 - Afschrijvingen en waardeverminderingen

3:23–3:27

Art. 3:23

Onder "afschrijvingen" verstaat men de bedragen ten laste van de resultatenrekening genomen, met betrekking tot oprichtingskosten en tot immateriële en materiële vaste activa waarvan de gebruiksduur beperkt is, ten einde hetzij het bedrag van deze oprichtingskosten en van de eventueel geherwaardeerde aanschaffingskosten van deze vaste activa te spreiden over hun waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur, hetzij deze kosten ten laste te nemen op het ogenblik waarop zij worden aangegaan.

Onder "waardeverminderingen" verstaat men correcties op de aanschaffingswaarde van de actiefbestanddelen, andere dan die vermeld in het vorige lid, om rekening te houden met al dan niet als definitief aan te merken ontwaardingen bij het afsluiten van het boekjaar.

De gecumuleerde afschrijvingen en waardeverminderingen worden afgetrokken van de actiefposten waarop ze betrekking hebben.

Art. 3:24

De afschrijvingen en de waardeverminderingen moeten voldoen aan de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw.

Art. 3:25

De afschrijvingen en waardeverminderingen zijn specifiek voor de actiefbestanddelen waarop ze betrekking hebben. Voor actiefbestanddelen met volkomen identieke technische of juridische kenmerken mogen echter globale afschrijvingen of waardeverminderingen geacteerd worden.

Art. 3:26

De afschrijvingen en de waardeverminderingen moeten stelselmatig worden gevormd volgens de door de vennootschap, VZW, IVZW of stichting overeenkomstig artikel 3:6, § 1, vastgelegde methoden. Ze mogen niet afhangen van het resultaat van het boekjaar.

Art. 3:27

De waardeverminderingen mogen niet worden gehandhaafd in die mate waarin ze op het einde van het boekjaar hoger zijn dan wat vereist is volgens een actuele beoordeling, conform de normen waarvan sprake in artikel 3:24, van de minderwaarden waarvoor ze werden gevormd.