Alle wetboeken › Grondwet

TITEL VIII - DE HERZIENING VAN DE GRONDWET.

195–198

Art. 195

De federale wetgevende macht heeft het recht te verklaren dat er redenen zijn tot herziening van zodanige grondwettelijke bepaling als zij aanwijst.

Na deze verklaring zijn beide Kamers van rechtswege ontbonden.

Twee nieuwe Kamers worden overeenkomstig artikel 46 bijeengeroepen.

Deze Kamers beslissen, in overeenstemming met de Koning, over de punten die aan herziening zijn onderworpen.

In dit geval mogen de Kamers niet beraadslagen wanneer niet ten minste twee derden van de leden waaruit elke Kamer bestaat, aanwezig zijn; en een verandering is alleen dan aangenomen, indien zij ten minste twee derden van de stemmen heeft verkregen.

Overgangsbepaling

Evenwel kunnen de Kamers, samengesteld ingevolge de vernieuwing van de Kamers van 9 juni 2024, in overeenstemming met de Koning, beslissen over de herziening van de volgende bepalingen en artikelen, uitsluitend in de hierna aangeduide zin:

1°artikel 36, om te bepalen dat de federale wetgevende macht wordt uitgeoefend door de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Koning;

2°artikel 74, om het artikel op te heffen;

3°artikel 100, tweede lid, derde zin, om die zin op te heffen;

4°artikel 143, § 2, om de Senaat niet langer een rol te geven in de voorkoming en regeling van belangenconflicten;

5°artikel 198, om de in dat artikel bepaalde bevoegdheden toe te wijzen aan de Koning en de grondwetgevende Kamer van volksvertegenwoordigers.

Over de punten bedoeld in het eerste lid mogen de Kamers niet beraadslagen wanneer niet ten minste twee derden van de leden waaruit elke Kamer bestaat, aanwezig zijn, en een verandering is alleen dan aangenomen, indien zij ten minste twee derden van de stemmen heeft verkregen.

Deze overgangsbepaling is geen verklaring in de zin van artikel 195, tweede lid.

Art. 196

Er mag geen herziening van de Grondwet worden ingezet of voortgezet in oorlogstijd of wanneer de Kamers verhinderd zijn vrij bijeen te komen op het federale grondgebied.

Art. 197

Tijdens een regentschap mag in de Grondwet geen verandering worden aangebracht wat betreft de grondwettelijke macht van de Koning en de artikelen 85 tot 88, 91 tot 95, 106 en 197 van de Grondwet.

Art. 198

In overeenstemming met de Koning kunnen de grondwetgevende Kamers de nummering van de artikelen en de onderverdelingen van artikelen van de Grondwet, evenals de onderverdeling van de Grondwet in titels, hoofdstukken en afdelingen aanpassen, de terminologie van de niet aan herziening onderworpen bepalingen wijzigen om deze in overeenstemming te brengen met de terminologie van de nieuwe bepalingen en de Nederlandse, de Franse en de Duitse tekst van de Grondwet met elkaar in overeenstemming brengen.

In dit geval mogen de Kamers niet beraadslagen wanneer niet ten minste twee derden van de leden waaruit elke Kamer bestaat, aanwezig zijn; en de veranderingen zijn alleen dan aangenomen, indien het geheel van de wijzigingen ten minste twee derden van de stemmen heeft verkregen.