§ 1.De rechtbank van eerste aanleg weigert slechts de erkenning en uitvoerbaarverklaring van een arbitrale uitspraak, ongeacht het land waarin zij werd gedaan, in de volgende omstandigheden:
a)op vordering van de partij tegen wie zij werd ingeroepen, wanneer die partij het bewijs levert:
i)dat een partij bij de in artikel 1681 bedoelde arbitrageovereenkomst onbekwaam was; of dat deze overeenkomst niet geldig is krachtens de wet waaraan de partijen ze onderworpen hebben of, bij afwezigheid van rechtskeuze, krachtens het recht van het land waar de uitspraak is gedaan; of
ii) dat aan de partij tegen wie de uitspraak wordt ingeroepen geen behoorlijke mededeling werd gedaan van de aanstelling van een arbiter of van de arbitrageprocedure, of dat zij om een andere reden haar rechten onmogelijk kon verdedigen; in deze gevallen kan de erkenning of uitvoerbaarverklaring van de arbitrale uitspraak evenwel niet geweigerd worden, wanneer vastgesteld wordt dat de onregelmatigheid geen invloed heeft op de arbitrale uitspraak; of
iii) dat de uitspraak betrekking heeft op een geschil dat niet beoogd werd door de termen van de arbitrageovereenkomst of er niet onder valt, of dat de uitspraak beslissingen bevat die de termen van de arbitrageovereenkomst te buiten gaan, met dien verstande evenwel dat, indien de beslissingen betreffende vragen die aan arbitrage zijn onderworpen, gescheiden kunnen worden van de beslissingen betreffende vragen die er niet aan onderworpen zijn, enkel het gedeelte van de beslissingen over vragen die aan arbitrage onderworpen zijn, kan erkend en uitvoerbaar verklaard worden; of
iv) dat de uitspraak niet met redenen omkleed is terwijl een dergelijke motivering voorgeschreven wordt door de rechtsregels die van toepassing zijn op de arbitrageprocedure in het kader waarvan de uitspraak gedaan is; of
v)dat de samenstelling van het scheidsgerecht of de arbitrageprocedure niet in overeenstemming was met de overeenkomst van de partijen, of, bij afwezigheid van overeenkomst daaromtrent, met het recht van het land waar de arbitrage heeft plaatsgevonden; deze onregelmatigheden kunnen niet leiden tot weigering van erkenning of uitvoerbaarverklaring van de arbitrale uitspraak, als blijkt dat zij op de uitspraak geen invloed hadden, behalve voor wat betreft een onregelmatigheid inzake de samenstelling van het scheidsgerecht; of
vi) dat de uitspraak nog niet bindend is geworden voor de partijen of vernietigd of opgeschort werd door een rechtbank van het land waarin of krachtens welk recht zij gedaan werd of
vii) dat het scheidsgerecht zijn bevoegdheden heeft overschreden;
of
b)indien de rechtbank van eerste aanleg vaststelt:
i)dat het voorwerp van het geschil niet vatbaar is voor arbitrage; of
ii) dat de erkenning of uitvoerbaarverklaring van de uitspraak in strijd zou zijn met de openbare orde;
iii) dat de uitspraak is verkregen door bedrog.
§ 1/1.De in paragraaf 1, a), i), ii), iii) en v), bedoelde gevallen worden niet als grond tot weigering van de erkenning en uitvoerbaarverklaring van een arbitrale uitspraak in aanmerking genomen, indien de partij die ze aanvoert daarvan kennis heeft gekregen tijdens de arbitrageprocedure en er zich zonder wettige reden niet ten gepaste tijde heeft op beroepen voor het scheidsgerecht.
§ 2.De rechtbank van eerste aanleg stelt haar beslissing over de vordering van rechtswege uit zolang er overeenkomstig artikel 1720, § 4, tot staving van het verzoekschrift geen origineel of eensluidend verklaarde kopie van de arbitrale uitspraak neergelegd wordt.
§ 2/1.Indien een verzoek tot vernietiging of schorsing van de arbitrale uitspraak werd ingesteld voor de rechterlijke instantie bedoeld in paragraaf 1, a), vi), kan de rechtbank van eerste aanleg waarvoor een derdenverzet tegen een beslissing tot erkenning of uitvoerbaarverklaring van deze uitspraak aanhangig is, op vordering van een partij, haar beslissing over het derdenverzet uitstellen. In elk geval kan de rechtbank ook beslissen om de tenuitvoerlegging van de uitspraak te schorsen.
De rechtbank van eerste aanleg kan, op vordering van een partij, de ene of de andere partij bevelen een passende zekerheid te stellen.
§ 3.Wanneer er een verdrag bestaat tussen België en het land waar de arbitrale uitspraak is gedaan, primeert het verdrag.