Ieder vonnis waarbij een eed wordt opgelegd, bepaalt de feiten waarop de eed moet worden gedaan.
DEEL IV Burgerlijke rechtspleging (art. 664–1385octiesdecies) › BOEK II _ GEDING. › TITEL III _ Tussengeschillen en bewijs. › Eerste onderafdeling _ Vonnis waarbij getuigenverhoor wordt toegestaan.
Afdeling VIII _ Eedaflegging.
1005–1006
Art. 1006
De eed wordt afgelegd door de partij in persoon en op de zitting. In geval van behoorlijk vastgestelde wettige verhindering kan de eed worden afgelegd voor een daartoe aangestelde rechter, die, bijgestaan door de griffier, zich bij de partij vervoegt.
Indien de partij aan wie de eed wordt opgedragen, op een te ver verwijderde plaats verblijft, kan de rechtbank bevelen dat zij de eed zal afleggen voor de rechtbank van haar woonplaats.
In ieder geval wordt de eed afgelegd in tegenwoordigheid van de andere partij, of nadat deze door de griffier behoorlijk bij gerechtsbrief is opgeroepen.