Alle wetboeken › BW

BOEK 7 Bijzondere contracten › Titel 3 Huur en bruikleen › Ondertitel 1 Huur

Hoofdstuk 5 Onderhuur, huuroverdracht en vervreemding van het goed

7.3.38–7.3.39

Art. 7.3.38

toekomstig recht

Onderhuur en huuroverdracht

De huurder mag het goed onderverhuren of zijn huurrecht aan een derde overdragen.

Art. 7.3.39

toekomstig recht

Vervreemding van een onroerend goed

Als de huur van een onroerend goed vaste datum heeft verkregen alvorens de vervreemding van dit goed door de verhuurder vaste datum heeft verkregen, dan treedt de verkrijger in de rechten en verbintenissen van de verhuurder.

In dat geval kan de verkrijger de huur niet louter omwille van de verkrijging beëindigen noch de huurder uit het goed zetten tenzij het huurcontract dit toelaat.

De verkrijger kan maar van die mogelijkheid gebruik maken binnen een termijn van drie maanden na de verkrijging, met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden en een vergoeding van drie maanden huur. De huurder kan niet uit het goed worden gezet zolang de uitzettingsvergoeding niet aan hem is betaald.

In geval van een beding van wederinkoop, kan de verkrijger geen gebruik maken van zijn bedongen bevoegdheid om de huurder uit het goed te zetten zolang het recht van terugname nog kan worden uitgeoefend.