Alle wetboeken › BW

BOEK 5 Verbintenissen › Titel 3 Algemeen regime van de verbintenis

Hoofdstuk 3 Ingebrekestelling

5.231–5.233

Art. 5.231

Beginsel

De ingebrekestelling is de eenzijdige rechtshandeling waarbij de schuldeiser duidelijk en ondubbelzinnig kennis geeft aan de schuldenaar van zijn wil om de nakoming van diens verbintenis te eisen.

Aan iedere sanctie wegens niet-nakoming moet een ingebrekestelling voorafgaan in de gevallen voorzien in de artikelen 5.83 en 5.224.

De wet, het contract of de goede trouw kunnen vereisen dat de schuldeiser de schuldenaar een termijn toekent opdat hij de uitstaande verbintenis uitvoert.

Art. 5.232

Vervroegde ingebrekestelling

De schuldeiser kan de schuldenaar in gebreke stellen vóór het verstrijken van de tijdsbepaling, voor zover deze ingebrekestelling zich voldoende nabij het verstrijken ervan situeert. Zij heeft evenwel pas uitwerking zodra de tijdsbepaling is verstreken.

Art. 5.233

Uitzonderingen op de vereiste van ingebrekestelling

De ingebrekestelling is niet vereist wanneer zij geen nut meer heeft. Dat is met name het geval:

1°wanneer de verbintenis om iets niet te doen werd geschonden;

2°wanneer de uitvoering van de verbintenis onmogelijk is geworden;

3°wanneer de uitvoering van de verbintenis geen belang meer heeft voor de schuldeiser;

4°wanneer de schuldenaar laat weten dat hij zijn verbintenis niet zal uitvoeren;

5°wanneer de wet of het contract vermeldt dat de schuldenaar in gebreke zal zijn louter door het verstrijken van de tijdsbepaling; of

6°inzake buitencontractuele aansprakelijkheid.