Alle wetboeken › BW

BOEK 5 Verbintenissen › Titel 3 Algemeen regime van de verbintenis

Hoofdstuk 2 Toerekenbaarheid van de niet-nakoming

5.225–5.230

Art. 5.225

Definitie van toerekenbaarheid

De niet-nakoming is aan de schuldenaar slechts toerekenbaar, indien hem een fout kan worden verweten of indien hij hiervoor krachtens de wet of een rechtshandeling moet instaan.

Onverminderd artikel 5.72 en de regels eigen aan de buitencontractuele aansprakelijkheid, wordt de fout beoordeeld volgens het criterium van een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst.

Art. 5.226

Overmacht

§ 1.Er is sprake van overmacht in geval van ontoerekenbare onmogelijkheid voor de schuldenaar om zijn verbintenis na te komen. Hierbij wordt rekening gehouden met het onvoorzienbaar en het onvermijdbaar karakter van het beletsel tot nakoming.

De schuldenaar is bevrijd indien de nakoming van de verbintenis blijvend onmogelijk is geworden door de overmacht.

De nakoming van de verbintenis is opgeschort voor de duur van de tijdelijke onmogelijkheid.

§ 2.Zodra de schuldenaar kennis heeft of behoort te hebben van een oorzaak van onmogelijkheid tot nakoming, dient hij de schuldeiser hiervan binnen een redelijke termijn op de hoogte te brengen.

Komt de schuldenaar aan deze verplichting te kort, is hij gehouden tot het herstel van de schade die hiervan het gevolg is.

Art. 5.227

Verzuim

Wanneer de niet-nakoming van de verbintenis hem toerekenbaar is en hij in gebreke werd gesteld volgens de eisen van de artikelen 5.231 tot 5.233, is de schuldenaar in verzuim. Vanaf dat ogenblik komen de gevolgen van overmacht voor zijn rekening, behoudens anders is overeengekomen en behoudens het geval van artikel 5.267.

Art. 5.228

Zuivering van het verzuim

Eenmaal in verzuim, behoudt de schuldenaar het recht om de uitvoering van de verschuldigde prestatie aan te bieden voor zover deze nog nut vertoont voor de schuldeiser. Desgevallend is de schuldenaar gehouden tot herstel van de schade.

Art. 5.229

Toerekenbaarheid van de fout van hulppersonen

Indien de schuldenaar een beroep doet op andere personen voor de nakoming van de verbintenis, is de fout die deze hulppersonen hebben begaan aan hem toerekenbaar.

Art. 5.230

Toerekenbaarheid van het gebruik van gebrekkige hulpgoederen in de uitvoering

Indien de niet-nakoming van een verbintenis te wijten is aan het gebruik van een gebrekkig voorwerp, is deze niet-nakoming de schuldenaar toerekenbaar, behoudens overmacht.