Alle wetboeken › BW

BOEK 5 Verbintenissen › Titel 3 Algemeen regime van de verbintenis

Hoofdstuk 5 Verval van de verbintenis door verdwijning van het voorwerp

5.265–5.267

Art. 5.265

Verdwijning van het voorwerp

De verbintenis die onmogelijk nog kan worden nagekomen in natura om welke reden ook, zelfs al is de niet-nakoming toerekenbaar aan de schuldenaar, is van rechtswege vervallen, onverminderd de sancties die openstaan voor de schuldeiser.

Art. 5.266

Verlies van een bepaald voorwerp door overmacht

Wanneer het bepaald voorwerp waarop de prestatie betrekking heeft, tenietgaat, buiten de handel gesteld wordt, of verloren gaat zodanig dat men van zijn bestaan geheel onwetend is, vervalt de verbintenis.

De schuldenaar is geenszins verplicht tot herstel indien de teruggave van het bepaald voorwerp onmogelijk is geworden door een geval van overmacht en vooraleer de schuldenaar in gebreke was.

De schuldeiser geniet van de rechten of vorderingen tot herstel met betrekking tot dat bepaald voorwerp die de schuldenaar toekomen.

Art. 5.267

Ingebrekestelling en afwezigheid van oorzakelijk verband

Zelfs wanneer de schuldenaar in gebreke is, en indien hij de gevallen van overmacht niet op zich heeft genomen, vervalt de verbintenis, en is de schuldenaar van elke verbintenis bevrijd, als het voorwerp eveneens bij de schuldeiser was tenietgegaan, ware het hem geleverd.

Het eerste lid is ook van overeenkomstige toepassing op de verbintenissen die betrekking hebben op een prestatie om iets te doen of niet te doen.

Indien echter de eigenaar van een voorwerp daarvan is beroofd door een opzettelijke fout, stelt zijn verlies de ontvreemder niet vrij van de verplichting de schade te herstellen.